Tom zit op de grond. Hij heeft zijn bal. "Kijk, bal!" zegt Tom. Sam komt erbij. "Mag ik spelen?" vraagt Sam. "Ja, speel mee," zegt Tom. Ze rollen de bal. De bal gaat heen en weer. Tom lacht. Sam lacht. "Leuk!" zegt Tom.
Daar komt Ben. Ben heeft een blok. "Kijk, blok!" zegt Ben. "Mag ik mee doen?" vraagt Ben. "Ja, kom spelen," zegt Sam. Ze stapelen blokken. De blokken gaan hoog. "O, hoog!" zegt Tom. De blokken vallen. "O nee!" zegt Ben. Maar iedereen lacht. "Nog een keer," zegt Sam.
Joris kijkt van een afstandje. Joris heeft een boek. "Hallo, Joris!" zegt Tom. "Kom je spelen?" vraagt Sam. Joris knikt. "Ja, leuk," zegt Joris. Ze kijken naar het boek. Het boek heeft plaatjes. "Kijk, een hond!" zegt Ben. "Waf waf!" zegt Tom. Iedereen lacht.
De zon schijnt. Ze zitten samen. "Vrienden," zegt Tom. "Ja, vrienden," zegt Sam. "Samen spelen is fijn," zegt Ben. "Jij bent mijn vriend," zegt Joris. Ze geven elkaar een knuffel. De zon schijnt warm. Ze zijn blij.
Samen zijn ze gelukkig. Spelen is leuk. Vrienden zijn fijn. Ze zijn samen. Dat is goed.