Op een dag stond een astronaut op een grote, ronde bal. "Hallo, ik ben Tom de astronaut," zei hij met een glimlach. "Ik vlieg naar de sterren!"
Tom zweefde in de ruimte. "Kijk, ik ben in een station," zei hij. "Het is groot en stil hier."
Tom zag kinderen zwaaien. "Hallo kinderen!" riep hij. "Wat zien jullie?"
"Wij zien sterren!" riepen de kinderen. "En de maan!"
"Ja!" zei Tom. "De sterren zijn ver weg en knipperen. De maan is groot en rond. Prachtig, hè?"
"Wat doe je daar, Tom?" vroegen de kinderen.
"Ik zweef en werk," antwoordde Tom. "Ik zorg voor het station. Ik maak dingen vast en druk op knoppen."
"Waarom druk je op knoppen?" vroegen de kinderen nieuwsgierig.
"Om te leren," zei Tom. "De ruimte is groot en vol geheimen. We willen alles weten."
De kinderen lachten. "Kunnen wij ook astronaut zijn, Tom?"
"Ja, natuurlijk!" zei Tom vrolijk. "Blijf dromen en leren. Dan vliegen jullie ook naar de sterren."
"Wat eet je daar, Tom?" vroegen de kinderen.
"Ik eet uit een zakje," lachte Tom. "Speciaal astronauteneten! Het vliegt niet weg."
De kinderen vonden dat grappig. "Dank je, Tom," riepen ze. "Veel plezier in de ruimte!"
Tom zwaaide. "Dank jullie! Blijf dromen en nieuwsgierig. Tot ziens, kinderen!"
En zo zweefde Tom verder. Hij keek naar de sterren en de maan. Hij dacht aan de kinderen en hun dromen. De ruimte was groot en mooi. Het avontuur ging verder, elke dag weer.