Milan is een man. Milan is astronaut. Vanavond is het rustig.
In het grote gebouw doet Milan zijn werk. Hij kijkt op een lijst. “Helm?” zegt Milan. “Ja,” zegt Noor. Noor helpt hem. “Riem?” “Ja.” “Radio?” “Ja.” Alles is goed.
Milan trekt zijn pak aan. Het pak is wit en dik. Het houdt hem veilig. Hij doet zijn handschoen aan. “Zacht vast,” zegt Noor. Milan knikt.
Dan gaat hij naar de raket. De raket staat stil. Milan gaat zitten. Hij klikt vast. “Samen,” zegt Milan. “Samen,” zegt Noor.
De raket gaat hoog, hoog. Milan voelt een zachte duw. Door het raam ziet hij wolken. Dan ziet hij de aarde. Rond en blauw. “Mooi,” zegt Milan.
In de ruimte drijft Milan. Hij doet rustig. Hij drinkt water uit een zakje. Hij eet kleine hapjes. Hij kijkt naar lampjes en knopjes. “Ik check,” zegt Milan. “Goed zo,” zegt Noor in de radio.
Milan maakt ook foto's van de aarde. “Voor ons thuis,” zegt hij. “We zorgen goed voor de aarde,” zegt Noor.
Dan is het tijd om terug te gaan. Alles gaat kalm. Milan landt zacht. Hij zwaait.
's Avonds in bed denkt Milan: stap voor stap, samen en veilig, kun je grote dromen doen.