Milan is een astronaut. Hij draagt een wit pak. Rits-rits. Zijn helm is rond. “Kijk,” zegt Milan, “ik ben klaar.”
Eerst komt trainen. Milan rent. Tik-tik-tik. Hij tilt een kist. Hop! Hij oefent met zijn team. “Samen,” zegt Mila. “Samen,” zegt Milan. Ze leren ook regels. “Rustig. Veilig,” zegt chef Noor.
Dan is het tijd voor de raket. De raket staat groot en stil. Milan zwaait. “Dag, aarde,” zegt hij zacht. Hij klikt riemen vast. Klik-klik. “Goed zo,” zegt Noor.
In de raket zitten knoppen. Milan drukt niet zomaar. Hij kijkt. Hij leest plaatjes. Groen lampje aan. Piep-piep. “Alles goed,” zegt hij. Zijn vriend Tom telt: “Drie… twee… één… woeesj!”
De raket gaat omhoog. Woeesj! Milan voelt duw in zijn buik. Daarna wordt het stil. In de ruimte zweeft hij. Ooooh. “Ik zweef,” zegt Milan. Hij lacht. Hihihi.
Milan werkt. Hij is niet alleen. Hij praat met de aarde via radio. “Krrr… hallo!” zegt de radio. Milan zegt: “Hallo, ik hoor je.”
Hij kijkt uit het raam. De aarde is blauw. Rond. Mooier dan een bal. Milan maakt foto's. Klik! “Voor de mensen,” zegt hij. “Voor school,” zegt Tom.
Dan doet Milan een proefje. Hij laat een druppel water los. Plop. De druppel wordt een bolletje. “Zie je,” zegt Milan, “in de ruimte valt het niet.” Tom klapt. Klap-klap.
Tijd om terug te gaan. Milan checkt weer alles. Klik-klik. Groen lampje. Piep. “Veilig,” zegt Noor. De capsule gaat naar beneden. Sjoef. Paraplu open: floef! Zacht in zee: plons.
Milan is thuis. Hij geeft de aarde een kusje met zijn hand. “Dank je,” zegt hij.
Stap voor stap, samen en veilig, kun je groot dromen en lief blijven voor de aarde.