In de stad van glas en licht woont Super-Jan. Hij is groot. Hij heeft een cape. Zijn cape is blauw. Hij lacht veel. Hij zegt: "Hoi!" Toc-toc, zegt zijn klok. Hop, hij staat op. Pluk, pluk, hij doet zijn laarzen aan.
De stad is druk. Auto's piepen. Fietsers rinkelen. Super-Jan loopt. Hij ziet een kat op een dak. "Miauw," zegt de kat. Super-Jan klimt. Hij klimt als een aap. Hop, hop. Zijn cape wappert. Boem-boem! Een ballon knapt. "Oei!" lacht Jan. Hij pakt de kat. "Zo, kat," zegt hij. De kat spint. Mmm.
Op straat ligt een sok. Een sok met ster. Een kind huilt: "Mama!" Super-Jan buigt. Hij pakt de sok. "Kijk," zegt hij. Het kind lacht. Ha-ha. Plop, de sok wordt een parachute voor een speelgoedvliegtuig. Vroem-vroem! Iedereen klapt.
Opeens, in de lucht, glijdt een ijsje. Pluf! Het hangt aan een lamp. Het ijsje druipt. "Oh," zegt Super-Jan. Hij denkt snel. Hij haalt een lepel uit zijn zak. "Tadada!" zegt hij. Lepel vangt ijsje. Smak! Het ijsje gaat naar de jongen. De jongen zegt: "Dank!" Super-Jan zwiept met zijn cape. Zoef! Iedereen lacht.
Er is een klein hondje. Het hondje rent weg met een hoed. "Grom?" zegt de hond. Het hoed vliegt. Hoed ploft op de taart. Taart zegt: "Mmm." Super-Jan draait. Hij draait als een tol. Hop, hij vangt de hoed. "Hier, hondje." Het hondje kwispelt. Snuf-snuf. De taart is heel. Iedereen eet een stukje. Lekker!
Een bootje ligt vast in bad. Nee, in de gracht! Het bootje zegt "Wiee!" Super-Jan roept: "Ik help!" Hij duwt. Sjoep-sjoep. Het bootje vaart. De kinderen zwaaien. Super-Jan maakt een buiging. "Toc-toc," zegt de deur. Thuis is warm. Jan zet thee. Slok, slok. Hij zet zijn cape op de stoel. De kat klimt op zijn schoot. Purr.
Moraal: Kleine hulp maakt groot geluk.