Het was bijna Kerst. De lichtjes twinkelden zacht. Sam en Max waren bijna vier. Ze zaten op het kleed. Hun sokken waren warm. Buiten dwarrelde sneeuw. Binnen rook het naar koekjes en sinaasappel.
“Wat een fijne avond,” zei Sam.
“Ja,” zei Max. “Ik hoor belletjes.”
Onder de tafel sloop iemand kleins. Het was Kerstelf Pip. Pip had een muts met een piepklein belletje. Hij lachte stil. Hij maakte zachte grapjes. Niet stout. Alleen lief en gek.
Pip legde een sterretje op de stoel.
Pip verstopte een mandarijn in de muts van Max.
Pip wisselde twee kleine sokken om.
“Mijn sok is gek!” riep Max, en hij lachte.
“Het is vast Pip,” zei Sam. “Dag, Pip. We zien je wel.”
Pip kroop naar de kast. Daar stond een doos. De doos was al dicht. De doos was glanzend en groen. Pip pakte een rood lint. Hij maakte een grote, ronde strik. Heel netjes. Heel mooi. Hij deed de strik om de doos die al dicht was.
Sam zag het. Zijn ogen werden rond.
“Kijk, Max! Een strik op de doos!”
“Is het een cadeautje?” vroeg Max.
“Misschien. Misschien is het gewoon een grapje,” zei Sam.
Ze tikten zacht op de doos. Tok, tok.
Het klonk als koekjes. Het klonk als knapperig geluk.
Mama kwam binnen met twee bekers warme melk.
“Wat een mooie strik,” zei ze. “Wie heeft dat gedaan?”
“Pip,” fluisterde Max.
Mama lachte. “Pip houdt van grapjes.”
Sam keek naar Max. “Zullen we delen?”
“Ja,” zei Max. “Delen is warm.”
Mama haalde de strik los. De doos bleef netjes dicht, want hij was al dicht geweest. Ze opende het deksel. Binnenin lagen sterkoekjes. Geel en zacht. Met een beetje suiker dat glinsterde als sneeuw.
“Voor ons?” vroeg Max.
“Voor iedereen,” zei Mama. “Voor Sam. Voor Max. Voor Papa. En misschien één voor Pip.”
Sam pakte één koekje. Max pakte één koekje. Ze gaven elkaar een stukje.
“Dit is voor jou,” zei Sam.
“En dit is voor jou,” zei Max.
Pip keek van onder de tafel. Zijn ogen glansden. Hij durfde niet te komen. Maar Sam legde een klein stukje op de rand van het kleed.
“Voor jou, Pip,” zei Sam zacht.
“Jij mag ook meedoen,” zei Max.
Pip kroop stilletjes dichterbij. Het belletje zei ting, ting. Hij nam het stukje koek. Hij knikte blij. “Dank je,” fluisterde hij. Zijn stem was als wind in een dennenboom. Zacht en lief.
Samen maakten ze nog meer strikjes. Sam knipte een rood lint. Max knoopte een kleine lus. Ze deden een strik om een mandarijn. Ze deden een strik om een tekenboek. Ze deden een strik om een knuffelbeer.
“Strikjes voor iedereen,” zei Sam.
“Strikjes delen we,” zei Max.
Pip klapte in zijn kleine handjes. Wat een vrolijk huis.
De kamer was rustig. De lichtjes twinkelden nog. De doos zat weer dicht. De strik lag als een glimlach op tafel. Alles voelde rond en goed.
“Bedtijd,” zei Mama. Ze gaf zachte kussen.
“Kom je morgen weer spelen, Pip?” vroeg Max.
Pip knikte. “Misschien. Met lieve grapjes,” fluisterde hij.
Sam en Max kropen onder hun dekens. Warm en blij. Ze dachten aan sterrenkoekjes en rode linten. Pip zette nog één klein sterretje bij het raam. Toen wapperde hij naar buiten, zo licht als sneeuw.
En in het huis was het stil. Stil en zacht. Delen maakte het nog warmer. Kerst lachte in de nacht.