In het licht van de kerstboom zaten drie jongens dicht bij elkaar. Milo, Finn en Sam waren drie jaar. Hun oogjes glinsterden. De kamer rook naar koekjes en kaneel.
Er was een kleine kabouter. Een ondeugende kerstkabouter met een rood puntmutsje. Hij tikte zacht op het raam. Hij lachte een piepstemmetje. "Hoi!" zei hij. "Mag ik spelen?"
De jongens klapten in hun handen. De kabouter sprong binnen op een sok. Hij liep op zijn tenen. Hij streek met zijn vingers over de slingers. Hij fluisterde vrolijk. Alles werd een beetje speelser.
De kabouter had een plan. Hij pakte een wollige muts. Een warme, rode muts. Hij wilde die verstopt hebben. Niet heel stout. Alleen een beetje plagerig. Hij stopte de muts in een doos en deed de doos dicht. Toen verstopte hij de doos onder de tafel. Daarna huppelde hij weg.
"Waar is de muts?" vroeg Milo. Zijn stem was zacht. Finn keek naar de doos. Sam trok aan een lint. De jongens zochten in de boom. Ze zochten bij de stoelen. Ze zochten in de la. Ze lachten en ze zongen.
"Misschien is hij bij de koekjes," zei Finn.
"Misschien is hij bij de sokken," zei Sam.
"Misschien is hij in de doos," zei Milo.
De kabouter giechelde en keek toe. Hij maakte een klein spoor van glinsterende confetti. Hij klopte zachtjes op zijn neus. De jongens volgden het spoor. Ze liepen rustig. Ze liepen voorzichtig. Ze leerden wachten. Ze leerden geduld hebben.
"Even wachten," zei Mama. "Tel tot drie."
"Eén, twee, drie," riep Milo.
"Goed zo," zei Finn. "Wacht maar rustig."
"Ik kan wachten," zei Sam.
Ze telden samen. Ze zongen zachtjes een liedje. De kabouter zag dat ze rustig konden zijn. Hij vond dat fijn. Geduld maakte hem een beetje verlegen. Hij gaf een klein sprongetje en zette de doos op tafel.
"Open!" zei Milo. Zijn vingers wiebelden. Finn trok aan het deksel. Sam duwde. De doos ging piepen. En daar lag de muts. Warm en rood, met een pluimpje.
Ze lachten allemaal. De kabouter stak zijn hand op en maakte een buiging. Hij had de jongens laten oefenen. Hij had hen laten wachten. Geduld werd beloond met een zachte muts.
Mama zette warme chocolademelk neer. De jongens dronken langzaam. Ze veegden met hun mouwen. Er lag even een klein sliertje water bij de deur door natte laarsjes. Samen pakten ze een doekje. Ze veegden en droogden. De kamer maakte een diepe, tevreden zucht.
De kabouter gaf één laatste vrolijke sprong. Hij tikte met zijn tenen en fluisterde: "Tot morgen." De jongens keken naar de muts, naar de boom en naar het licht.
De kamer was rustig. De muts was op de tafel. De drie jongens knuffelden elkaar. De vloer was droog.