Begin
Pip is drie jaar. Hij heeft een kleine stem en grote sokken. Het is ochtend. De zon kijkt door het raam, alsof hij “hallo” zegt.
Pip sluipt naar de keuken. Mama zit aan tafel met een kop thee. Ze gaapt een beetje.
“Goedemorgen, mama,” zegt Pip.
“Goedemorgen, lieve Pip,” zegt mama. “Wat heb jij een wilde haarbos.”
Pip voelt aan zijn haar. Het staat echt alle kanten op. Hij lacht. “Mijn haar doet een dansje.”
Op de kalender hangt een hartje. Pip ziet het en fluistert: “Moederdag.”
Hij wil iets heel groots doen. Iets dat zegt: dank je wel. Maar hij is klein. En zijn handen zijn ook klein.
Pip loopt naar papa. Papa smeert brood. Het brood krijgt bijna een snor van pindakaas.
“Papa,” fluistert Pip, “ik wil mama verrassen.”
Papa knikt heel serieus. “Dat is een topplan. Wat wil je doen?”
Pip denkt. Zijn tong steekt een beetje uit, van het denken. “Ik maak een cadeau. En ik zeg ‘dank je wel'.”
Papa zegt: “Dat is het mooiste cadeau.”
Midden
Pip zoekt in de kast. Hij vindt papier, stiften en stickers. Een sticker met een banaan. Pip plakt hem meteen op zijn neus.
Papa kijkt. “Pip, je bent nu een banaan.”
Pip lacht. “Ik ben Banane-Pip!”
Ze maken een kaart. Pip tekent mama als een grote zon. Mama heeft lange armen, want die armen knuffelen goed. Pip tekent zichzelf ernaast. Hij is een klein rondje met benen die wiebelen.
Op de kaart wil Pip letters zetten. Maar letters zijn lastig. Pip kan nog niet alle letters. Papa zegt: “Ik schrijf wat jij zegt. Jij bent de baas.”
Pip zegt langzaam: “Lieve mama… dank… je… wel… voor… knuf.”
Papa schrijft: “Lieve mama, dank je wel voor knuffels.”
Pip knikt tevreden. Dan wil hij ontbijt maken. “Ontbijt op bed!” roept hij. Zijn stem is een trompetje.
Ze maken een dienblad. Er is een boterham met kaas. Er zijn aardbeien. Pip legt er drie. Eén, twee, drie. Dan legt hij er nog één. “Vier is ook leuk,” zegt hij.
Pip ziet een koekje op het aanrecht. Hij pakt het koekje. Het kraakt zacht. Pip kijkt naar papa. Papa kijkt naar Pip.
“Eerlijk zeggen,” zegt papa.
Pip stopt. Zijn wangen worden warm. “Ik… wilde stiekem het koekje erbij doen. Maar ik wilde ook één hap nemen.”
Papa knikt. “Dank je wel dat je eerlijk bent.”
Pip denkt even. Dan legt hij het koekje op het bord. “Mama krijgt het koekje. Ik krijg… een kus.”
Papa lacht. “Goede ruil.”
Ze lopen naar mama's kamer. Pip houdt het dienblad vast. Het wiebelt een beetje. De aardbei rolt bijna weg, maar papa vangt hem. “Aardbei, niet wegrennen,” fluistert papa.
Pip fluistert: “Stil, mama slaapt nog.”
Maar mama is al wakker. Ze doet alsof ze snurkt: “Snoooork… ik droom van… kaas…”
Pip giechelt. “Mama, verrassing!”
Einde
Mama gaat rechtop zitten. Haar ogen worden groot en zacht. “O, wat is dit?”
Pip zet het dienblad neer. “Ontbijt. Voor jou. En een kaart.”
Mama pakt de kaart. Ze kijkt naar de zon-mama en de wiebel-Pip. Ze leest: “Lieve mama, dank je wel voor knuffels.”
Pip zegt er snel bij: “En voor thee. En voor sokken. En voor alles.”
Mama lacht. Er glinstert iets in haar ogen, alsof er een klein regendruppeltje woont. “Dank je wel, lieve Pip. Dit is prachtig.”
Pip wijst naar het koekje. “Dat is helemaal van jou. Ik was eerlijk.”
Mama knikt. “Dat maakt het extra lief.”
Ze eten samen. Mama geeft Pip een aardbei. Pip eet hem met een rood mondje. “Ik ben een aardbei-draak,” bromt hij zacht.
Mama geeft hem een kus op zijn voorhoofd. “Mijn lieve draak.”
Later die dag maken ze een kleine wandeling. Pip plukt een madeliefje en geeft het aan mama. “Voor jou. Omdat ik van jou hou.”
Mama houdt zijn hand vast. “En ik van jou.”
Als de zon lager wordt, zitten ze weer binnen. Pip kruipt tegen mama aan. Zijn ogen worden zwaar.
“Dag mama,” zegt Pip zacht, want hij oefent het afscheid van de dag.
Mama streelt zijn haar, dat nog steeds een dansje doet. “Dag lieve Pip. Dank je wel voor jouw Moederdag.”
Pip zucht tevreden. “Graag gedaan.” En dan is alles rustig, warm en blij.