Er was eens een klein konijn. Het heette Pip. Pip woont in een bos vol dieren. Het is bijna Kerst. Sneeuw valt zacht. Zacht en wit. Kling, kling, doen de belletjes. De boom is groen. De lichtjes glimmen. Kaarsjes geven warm licht.
Pip heeft een mandje. In het mandje ligt een sterkoek. Pip loopt stap voor stap. Poot in de sneeuw. Stap en stap. Hij glimlacht. “Ik deel,” zegt Pip. “Ik deel met vrienden.”
Bij de grote boom staan vrienden. Muis zwaait. Vos knikt. Beer humt zacht. Uil kijkt lief. “Welkom, Pip,” zegt Muis. Sneeuw valt zacht. Zacht en wit. Kling, kling, doen de belletjes.
Pip zet het mandje neer. Hij breekt de koek. Eén stukje voor Muis. Eén stukje voor Vos. Eén stukje voor Beer. Eén stukje voor Uil. En één klein stukje voor Pip. De boom is groen. De lichtjes glimmen. Kaarsjes geven warm licht.
Een klein stukje glijdt in de sneeuw. Pip pakt het op. Hij blaast zacht. Het stukje is weer fijn. “Dank je,” zegt Vos. “Wat lief,” zegt Beer. Sneeuw valt zacht. Zacht en wit.
Vrienden delen ook. Muis heeft een appel. Vos heeft brood. Beer heeft noten. Uil heeft thee in een kopje. Ze eten samen. Ze praten zacht. Ze zingen heel zacht. Kling, kling, doen de belletjes. De boom is groen. De lichtjes glimmen.
Een lichtje wiebelt even. Uil zet het recht. Het lichtje rust weer. Alles is stil en warm. Pip voelt zijn hart warm en licht. Hij kijkt rond. Iedereen glimlacht. De nacht is zacht. Kaarsjes geven warm licht. Sneeuw valt zacht. Zacht en wit.
Samen delen maakt ieder hartje warm en blij.