Er was eens, op kerstavond, twee meisjes. Ze heetten Noor en Lise. Ze waren drie jaar, en ze liepen hand in hand.
Buiten viel sneeuw, zacht, zacht. Binnen klonk “ding-dong, ding-dong”. De bel, de bel. In de kamer stond de boom. De boom was groen en groot. Er waren kaarsjes. Kleine kaarsjes. Ze maakten warm licht.
Noor keek naar één kaarsje. Het wiebelde een beetje. “Kaarsje danst,” zegt Noor.
“Ja,” zegt Lise. “Kaarsje danst, net als wij.”
Ze zagen ook een klein sterretje van papier. Het hing aan een tak. Het hing wat scheef. Noor strekte haar hand. Lise hield de tak vast. Samen, samen. Ze deden het heel zacht.
“Zo,” zegt Noor.
“Zo,” zegt Lise.
Toen was het sterretje recht. Het leek te glimlachen. En het licht leek nog warmer.
Ze luisterden weer. “Ding-dong, ding-dong.”
Ze fluisterden samen een refrein: “Sneeuw zo zacht, bel zo blij, boom zo groen, kaarsjes dichtbij.”
Mama kwam met melk. Warm en zoet. Papa legde een deken neer. Noor en Lise kropen dicht bij elkaar.
De sneeuw viel zacht, zacht. De bel zei “ding-dong”. De boom stond stil. De kaarsjes bleven rustig.
Moraal: Samen helpen maakt alles licht en zacht.