Er was eens een klein dorpje, helemaal bedekt met sneeuw. Daar leefden twee kleine kinderen, Anna en Tim. Ze waren even oud, twee jaar, en vonden het heerlijk om samen te spelen.
Op een dag, vlak voor Kerstmis, zagen ze een grote groene boom. „Kijk, een kerstboom!” riep Anna. Tim klapte in zijn handen. „Wauw, mooi!” zei hij. Samen gingen ze naar de boom en begonnen te versieren. Ze hingen kleine belletjes en glinsterende sterren op de takken.
„Laten we lichtjes aansteken,” zei Tim. Ze vonden wat kleine kaarsjes en Anna stak ze aan. De boom straalde met warme, zachte lichtjes. „Kijk hoe mooi,” fluisterde Anna. Tim knikte en glimlachte breed. De boom leek wel te zingen met zijn lichtjes en belletjes.
Toen hoorden ze een zacht gerinkel. „Wat is dat?” vroeg Tim. „Het zijn de kerstklokken!” riep Anna blij. Ze luisterden naar het vrolijke geluid en voelden zich heel gelukkig.
De avond viel en de sneeuw glinsterde in het maanlicht. Anna en Tim keken naar hun prachtige boom. „Het is net een sprookje,” zei Anna dromerig. Tim knikte weer en geeuwde. Het was tijd om naar huis te gaan.
Ze namen elkaar bij de hand en liepen door de sneeuw. Het was een magische avond vol lichtjes en klokken.
Vriendelijkheid en samen delen maken elke dag bijzonder.