Er was eens een klein meisje. Ze heette Lila. Lila woonde in een huisje met een rood dak. Buiten viel de sneeuw zachtjes: sssjjj, sssjjj. Lila keek naar buiten en zei: “Wat mooi! Kijk eens, mama, sneeuw!” Mama glimlachte. “Ja, lieve Lila, het is bijna Kerst.”
Lila trok haar warme jas aan. “Hop, hop,” riep ze blij. Ze liep naar buiten. De sneeuw kraakte: krik, krak. Overal lag wit. De bomen droegen sneeuwhoedjes. De lucht was stil. Plots hoorde Lila belletjes: ting-ting, ting-ting. Ze keek rond. Wie maakt dat mooie geluid?
Lila zag een klein vogeltje. Het vogeltje zat op een tak. “Ting-ting, ting-ting,” zong het vogeltje zacht. Lila lachte. “Hallo, vogeltje,” zei ze, “wat zing jij mooi!” Het vogeltje floot: “Tsjiep, tsjiep!” Lila zwaaide. Samen luisterden ze naar de sneeuw die viel: sssjjj, sssjjj.
Lila liep terug naar huis. “Mama, mag het vogeltje bij ons komen schuilen?” vroeg ze. Mama zei: “Natuurlijk, lieve Lila.” Ze zetten samen een klein huisje van dennenappels en takjes neer, vlakbij het raam. Lila zong zacht: “Sneeuw valt zacht, klokken gaan, lichtjes twinkelen bij de boom.” Mama zong mee.
Binnen staken ze de kaarsjes aan: fff, fff. Het werd warm en licht. Het vogeltje zat dicht bij het raam en keek naar binnen. Lila zwaaide en zei: “Kom maar, vogeltje, alles is fijn!”
Buiten viel de sneeuw nog steeds: sssjjj, sssjjj. De klok sloeg: bim, bam. Lila voelde zich blij. Iedereen was samen. Mama, Lila en het vogeltje luisterden naar de stilte. Het was rustig en warm.
Samen zijn is fijn, vooral als het sneeuwt en de lichtjes schijnen.