In de stad Sterrenstad glinsteren de ramen als snoepjes. Boven de daken zoemt een zachte luchtbus. En hoog, heel hoog, hangt een maan die lijkt op een zilveren ballon.
Daar vliegt Nova Nox. Zij is een superheldin. Ze draagt een pak dat donkerblauw is met lichtstippen, alsof de nacht zelf meedoet. Op haar borst staat een kleine ster die fel kan schijnen. Haar laarzen hebben magneet-zolen. Haar cape is kort en wipt achter haar aan als een vrolijk vlaggetje.
Nova Nox lacht. “Klaar voor een heldendaad,” zegt ze. “En ik heb mijn haar al goed gedaan, dus het móét lukken.”
In haar oortje klinkt een stem. Het is Burgemeester Bim. Hij praat altijd heel snel. “Nova! In het Ruimte-Museum is de Mini-Kern kwijt. Zonder die kern vallen de lampen in de stad uit. En de robots in het park gaan dan… euh… heel langzaam wandelen.”
“Langzaam wandelen? Dat is een ramp voor een picknick!” zegt Nova. “Ik kom eraan.”
Ze duikt omlaag, langs een neon-reclame van een glimlachende raket. Ze landt bij het museum. De deuren zijn open, maar er is geen paniek. Een bewaker zwaait. “Fijn dat u er bent,” zegt hij rustig. “We hebben koekjes.”
“Koekjes? Dan is dit een nette noodsituatie,” zegt Nova, en ze knipoogt.
Binnen is het stil en helder. Tussen glazen kasten staan modellen van planeten. Er ligt ook een groot ruimteschip, van blinkend koper. Op de grond ziet Nova een spoor van glitters, alsof iemand sterrenstof heeft gemorst.
“Glitters liegen nooit,” fluistert ze.
Ze volgt het spoor naar de achterzaal. Daar staat een klein service-robotje, Piep-7. Het robotje bibbert. “Biep… sorry,” zegt Piep-7. “Ik wilde opruimen. Ik zag een klein rond ding. Het rolde weg. Ik dacht: bal!”
Nova gaat door haar knieën. “Hé Piep-7, jij wilde helpen. Dat is dapper. We gaan het samen oplossen.”
“Biep?” zegt Piep-7 hoopvol.
Nova zet haar ster op haar borst aan. Fwoesh, een zachte lichtstraal schijnt over de vloer. Het licht vindt een klein luikje. “Aha!” zegt Nova. “Onder de vloer, in het kabel-tunneltje.”
Ze doet het luik open. Daar beneden is een smalle gang. Niet eng, alleen een beetje stoffig en vol gekleurde kabels, als dikke slangen van snoep. Helemaal aan het einde ligt de Mini-Kern: een doorzichtig bolletje met een draaiend regenboogvlammetje erin.
“Daar ben je, kleine zon,” zegt Nova.
Maar net als ze het wil pakken, rolt de kern nog een stukje weg, zoef, richting een ventilator. Nova springt. Haar magneet-laarzen klikken op een metalen balk. Ze strekt haar arm uit met haar handschoen, die plakkerig kan worden als een gekko.
“Stop, stuiterbal!” zegt ze.
Plak. Ze grijpt de kern net op tijd. De ventilator zoemt alleen maar vriendelijk, alsof hij ook opgelucht is.
Nova klimt terug. Piep-7 klapt met zijn kleine grijpertjes. “Biep biep! Heldin!”
“Jij ook,” zegt Nova. “Jij was eerlijk. Dat is superkracht nummer één.”
Ze zet de Mini-Kern terug in de houder. Meteen gaan de lampen in het museum extra warm branden. Buiten springen de straatlichten aan, één voor één, als vuurvliegjes. In het park beginnen de robots weer vrolijk te dansen met hun bezems.
Burgemeester Bim komt aanrennen en hijgt. “Sterren! Alles werkt weer!”
Nova saluut. “Sterrenstad is veilig. En ik heb geen enkel koekje laten vallen.”
De bewaker geeft haar een koekje in de vorm van een planeet. Piep-7 krijgt er ook één, met extra kruimels.
Die avond vliegt Nova Nox nog één rustige ronde boven de daken. De stad glanst. Mensen zwaaien vanaf balkons. Nova zwaait terug. “Slaap zacht, Sterrenstad,” zegt ze. “Morgen weer heldenwerk. Maar nu… koekjestijd.”