In Sterrenstad glimmen de ramen als snoepjes. De lucht is blauw-paars, met kleine lichtpuntjes. Hoog boven de daken zoemt een zilveren tram in de lucht. Iedereen lacht en zwaait.
Op het hoogste gebouw staat een man. Hij is groot en sterk, maar zijn ogen zijn zacht. Hij draagt een jas die lijkt op de nacht, met sterren erop die echt twinkelen. Op zijn borst staat een teken: een kompas dat licht geeft. Zijn naam is Kapitein Kompas.
Kapitein Kompas luistert met zijn oor naar de wind. “Alles rustig,” zegt hij. “Mooi zo.”
Beneden eet mevrouw Maan een ijsje. De hond Puk draagt een klein helmpje. Kinderen spelen met vliegende ballen. Alles is vrolijk.
Dan trilt de grond. Niet hard. Meer als een dikke kat die zich omdraait. De lucht-tram wiebelt een beetje. Een paar vogels maken een rondje in de lucht.
“Woeef?” zegt Puk.
Kapitein Kompas legt zijn hand op het dak. “Dat is geen storm,” fluistert hij. “Dat is… een voetstap.”
Aan de rand van de stad komt iets groots omhoog. Een reusachtige schaduw. Een wezen, zo hoog als drie torens. Het heeft lange armen, glanzende schubben als natte stenen, en ogen die zacht groen schijnen. Het kijkt naar de stad alsof het iets zoekt.
Mensen stoppen even met lopen. Iemand laat bijna zijn ijs vallen.
Kapitein Kompas springt. Woesj! Zijn laarzen maken lichtstrepen. Hij landt op een zwevend bord, als een skateboard van sterrenlicht. Hij schiet door de lucht, langs wolken die ruiken naar popcorn.
“Geen paniek,” roept hij. Zijn stem klinkt als een warme trom. “Ik ben er!”
Hij is snel en dapper, maar hij glimlacht ook. “Sterrenstad, blijf gezellig. Ik ga even praten met onze grote bezoeker.”
Het wezen zet een voet neer. BOEM… maar zacht, alsof het op een kussen stapt. Toch rammelt een stapel lege blikken. Een robot-straatveger draait rondjes. “Biep-biep! Oeps.”
Kapitein Kompas zweeft naar het gezicht van het wezen. Hij houdt zijn handen open. “Hallo daar,” zegt hij. “Ik ben Kapitein Kompas. Jij bent heel groot. Dat is knap. Maar je lijkt ook een beetje… verward.”
Het wezen knippert. “GROOOOM,” bromt het. De brom klinkt als een grote trommel, maar niet boos. Meer moe.
Kapitein Kompas wijst naar zijn borst. Het kompas licht op en maakt een rustige ping. “Dit kompas voelt gevoelens. En ik voel: jij bent niet gevaarlijk. Jij bent… hongerig en de weg kwijt.”
“GROOOOM… thuis,” zegt het wezen. Zijn schubben worden een beetje dof.
Kapitein Kompas knikt. “Aha. Dan lossen we dat op. Zonder geduw. Zonder gedonder. Oké?”
Hij tikt op zijn pols. Er komt een klein schermpje uit zijn mouw. “Team Sterrenstad, ik heb een zachte missie!”
Drie helpers zoemen aan: een drone met een lampje, een brandweer-robot met waternevel, en Puk de hond in zijn helmpje, in een mini-luchtkarretje.
“Waf!” zegt Puk. Alsof hij zegt: ik ben er klaar voor.
Kapitein Kompas lacht. “Jij ook, Puk. Heel heldhaftig.”
Hij laat de drone een grote pijl van licht maken in de lucht. De pijl wijst naar de zee, waar een blauwe poort flikkert tussen golven: de Sterrenpoort.
“Zie je dat?” vraagt Kapitein Kompas. “Daar is een deur naar jouw thuis. Maar eerst: rustig ademhalen.”
Hij doet het voor. In… uit… In… uit…
Het wezen doet mee. In… uit… Zijn schouders zakken. De schubben glanzen weer.
De brandweer-robot spuit geen harde straal, maar een fijne mist. “Pssst,” zegt de mist. Het koelt en kalmeert.
Kapitein Kompas zweeft mee, heel dichtbij, als een vriend. “Stapjes,” zegt hij. “Kleine stapjes. Zoals een reus die op wolken loopt.”
Het wezen zet één stap. Dan nog één. De stad blijft heel. Kinderen zwaaien weer. Mevrouw Maan roept: “Dag, grote vriend!”
Bij de zee stopt het wezen. De Sterrenpoort zingt zacht, als een slaapliedje. Kapitein Kompas legt zijn hand tegen de grote vinger van het wezen. Die vinger is warm.
“Je hebt het goed gedaan,” zegt hij. “Dapper. En lief.”
“GROOOOM… dank,” bromt het wezen. En heel voorzichtig maakt het een klein lachje. Het stapt door de poort. Flits. Weg. De lucht ruikt weer naar popcorn.
Kapitein Kompas zucht blij. “Missie klaar.”
Terug in Sterrenstad landt hij op het plein. Puk springt tegen hem aan. “Waf-waf!”
Kapitein Kompas grinnikt. “Ja, jij ook een held. Maar je helm zit scheef.”
Iedereen lacht. De lucht-tram zoemt weer recht. De ramen glimmen. En boven op het hoogste gebouw staat Kapitein Kompas, rustig en trots, terwijl zijn kompas zacht pingt: alles is veilig, alles is goed.