Hoofdstuk 1: De nachtmarkt in de wolken
Noah kon tellen tot tien en hield van veel dingen: knisperende sokken, glibberige bellen en vooral van tellen. "Eén, twee, drie..." murmelde hij vaak terwijl hij op zijn tenen liep. Op een nacht werd Noah wakker van gedruis boven zijn huis. Hij keek uit het raam en zag een markt in de wolken — kraampjes die zweefden, lampionnen die wiebelden en een reusachtige pannenkoekenkraam met pannenkoeken zo groot als fietsen.
Noah trok snel zijn jas aan en klom op de trap die uit zijn kast was gegroeid. Op de wolkenmarkt liep van alles rond: pratende kussens, een olifant die viool speelde en een vampier met een lach die precies zong als een bel. De vampier droeg een felgroene sjaal en een pet met stippen. Hij had geen scherpe tanden maar juist een klein glimlachje.
"Noah!" riep iemand. Het was Luna, de meisje met prijzenmedailles voor grappigste hoed. "Kom kijken! Er is een wedstrijd: wie de grootste bel kan laten rinkelen wint een mand vol gekleurde wol!" Noah sprong op en neer. "Ik tel de slagen!" zei hij. "Eén, twee, drie..."
Bij de bel stond de vampier, die zichzelf Bram noemde. Bram keek een beetje zenuwachtig. "Ik... ik kan niet hard slaan," fluisterde hij, "mijn handen trillen altijd van het lachen." Niemand lachte gemeen. In deze markt was iedereen een beetje vreemd, maar altijd vriendelijk.
Noah legde zijn hand op Bram's schouder. "Ik tel tot tien en dan slaan we samen," zei hij. "Zeg maar wanneer." Bram knikte en zijn groene sjaal wapperde als een vlag.
Hoofdstuk 2: Tellen helpt, maar dan... kakel
Noah stond op een kruk en telde hardop. "Eén! Twee! Drie!" De markt luisterde. Bij tien hingen de wolkenkrakers stil. Noah riep: "Tien!" en Bram sloeg de bel. Een geluid als honderd vogeltjes kwam eruit. Iedereen klapte. Bram bloosde — vampiers blozen volgens de wolkenwetten blauwig — en Noah voelde zich trots.
"Goed gedaan!" zei Luna. Maar plotseling begon de bel te trillen, steeds harder. Een zachte kakel steeg op uit de bel, eerst als een muisje dat kuchtte, toen als een kip die een mop hoorde. De kakel groeide en groeide en veranderde in een vortex van geluid. Winkels schudden, ballonnen draaiden, en uit een kraampje met soep rolde een soepkom die begon te dansen.
"Oh nee," zei Bram, "dat is de Lachkakel. Als hij wakker wordt, lacht iedereen en alles om de beurt, zonder te stoppen." Zijn stem trilde echt nu, maar niet van lachen — van zorgen. De Lachkakel was een klein schepsel met stippels en een grote mond. Hij had waarschijnlijk in de bel geslapen en de bel had hem geprikt wakker.
De Lachkakel sprong eruit en begon te giechelen. Eerst was het leuk: iedereen lachte en de vioololifant speelde vrolijker. Maar al snel lachten de kussens zo hard dat ze leken te zweven als ballonnen en de pannenkoeken begonnen te rollen als wielen. De markt raakte in een rommelig gekakel.
Noah keek naar Bram. Bram keek naar Noah. "Ik tel," zei Noah kordaat. "Eén, twee..." Hij telde langzaam, alsof het tellen kon temmen. "Zes, zeven, acht..." De Lachkakel stopte midden in een hoest-achtige lach en spitste zijn oren. "Negen, tien!" riep Noah. Het tellen klonk als een sleutel. De Lachkakel stilde bijna, maar zijn mond krulde zichzelf nog steeds.
"We moeten samenwerken," zei Noah. "Tellen helpt, maar we moeten knuffelen, zingen en misschien... koekjes geven." Luna sprong op een wolk en riep: "Koekjes! Koekjes maken altijd blij, en soms ook rustig." De kraam met gekleurde wol gaf sokken als ruilmiddel; de kok met de reuzepannenkoeken leende beslag. Iedereen gaf iets.
Bram had een idee. "Vampiers houden niet van knoflook," zei hij, "maar ik houd wel van komische poesgeluiden." Hij nam een klein fluitje en imiteerde een poes. Het klonk belachelijk en dat was precies wat nodig was. De Lachkakel lachte even minder heftig, verwonderd door het rare geluid. Noah telde opnieuw, deze keer zacht en ritmisch. "Eén... tien." De Lachkakel legde zijn hoofd op zijn pootjes en viel bijna in slaap. Maar hij was nog niet echt stil.
Hoofdstuk 3: De Wolkenslang en de warmste hand
Net toen iedereen dacht dat het beter ging, rees uit de rand van de markt een grote schaduw — een wolkenslang! Hij was zo lang dat hij om drie kraampjes heen kon draaien en dan nog een stukje had voor zijn staart. De wolkenslang vond zo veel lawaai leuk; hij begon te kronkelen en de Lachkakel piepte en werd wakker. De markt dreigde weer in chaotisch gegiechel te vallen.
Noah voelde een rilling. Maar hij was niet bang. Hij ademde in en begon te tellen. "Eén, twee..." Hij zag hoe de wolkenslang zijn kop op de pannenkoekkraam legde en zijn ogen twee grote knopen werden. "Drie, vier..." Bram zette zijn handen samen en zong een zacht vampierliedje, een liedje dat niet eng was maar zacht als maandlicht. Luna pakte een grote sjaal en wikkelde die om een kleine kraam, zodat de kraam niet omviel.
"Iedereen samen!" riep Noah. "Tel mee!" De markt deed mee: de olifant trompetterde, de kussens pufften, zelfs de soepkom tikte met zijn lepel. Tellen werd een melodie en die melodie was als een deken. De wolkenslang begon nieuwsgierig te wiegen; hij hield van ritme. Zijn kronkels werden langzamer. De Lachkakel sloot eindelijk zijn mond en liet een piepklein zuchtje.
De warme hand van de markt was het ophalen van elkaars spullen en elkaars moed. Bram voelde voorzichtig een hand op zijn schouder — niet van schrik maar van steun. "Dank je," zei Bram zacht. "Ik wist niet dat ik hulp mocht vragen." Noah glimlachte en telde tot tien terwijl hij anderen hielp opstaan of zich te herstellen. Iedereen leerde dat vragen om hulp en samen tellen sterker is dan alleen.
Toen de wolkenslang zich om een hoge lampion krulde en zijn ogen knipperden, gaf hij een zacht gesnurk. De markt zuchtte van verlichting. De Lachkakel sliep diep en droomde van pannenkoeken.
Hoofdstuk 4: Een echo van warmte
De markt was stil geworden, maar niet stil zoals saai; stil zoals een goede grap na een bulderlach. Mensen veegden kruimels, plooiden sjaals en troosten elkaar met warme chocolademelk. Bram stond in het midden, nog steeds met zijn groene sjaal. Hij stak zijn hand uit naar Noah. "Jij telt heel goed," zei hij. "Je maakt van tellen een lied."
Noah lachte. "Ik tel omdat het me rustig maakt. En omdat nummers m'n vrienden zijn." Hij telde nog eens, maar nu in het engels, alleen voor de grap: "One, two..." Iedereen lachte, en die lach was deze keer zacht, vriendelijk. Luna gaf Bram een koekje en Bram, die geen knoflook at maar wel van koekjes hield, nam het aan.
"Zullen we een mand bouwen voor de Lachkakel?" stelde Luna voor. "Een mand van wol, met een kussentje en een pannenkoek als deken." Iedereen vond het een geweldig plan. Ze bouwden samen de mand: de olifant gebruikte zijn slurf om wol op te rollen, de kussens vormden het zachte bed en Noah telde de steken. "Eén, twee, drie..." telde hij hardop voor elk lusje wol. Bram leerde een nieuw woord: solidariteit — dat betekende dat je samen zorgde voor anderen.
Toen de mand klaar was, legden ze de gerustgestelde Lachkakel erin. Hij glimlachte en maakte een piepje dat klonk als een belletje. De wolkenslang rolde zich op afstand op als een grote sjaal en snoof tevreden. De markt voelde warm vanbinnen, alsof de lampionnen niet alleen licht gaven maar ook knuffels.
Voor het slapen gaan stonden alle marktvrienden op een rij. Noah klom op een kleine kruk en hield Bram's hand. "Laten we eens tellen," zei hij. "Samen tellen." Ze telden luid en vrolijk totdat de laatste wolk zachtjes wiegde en de lampionnen knipperden als ogen die knipoogden.
"Een, twee, drie, vier..." zongen ze. De laatste tel klonk als een bel en weerkaatste over de wolken. Het was geen gewoon geluid; het klonk als een echo die glimlachte. Bram drukte zijn pet op zijn hoofd en zei: "Dank jullie. Zonder jullie had ik niet durven slaan. Zonder jullie had de Lachkakel misschien nooit een bed gehad." De markt antwoordde met een groot gezamenlijk "hoera!"
Noah voelde zich warm vanbinnen. Hij keek om zich heen naar zijn vrienden — vreemd, grappig en vooral lief. "Ik tel altijd tot tien," zei hij. "Maar nu tel ik ook tot tien met jullie." Hij telde nog een keer, en de echo van de laatste tien rolde als zachte wolkjes over de markt.
De wolkenmarkt zakte langzaam terug naar de nacht, maar de echo bleef hangen. In de huizen beneden, bij de kussens en pannenkoeken, vertelden de dieren en mensen elkaar over de nacht waarin een vampier, een wolfsslang, een Lachkakel en een jongen die kon tellen allemaal samenwerkten.
Noah kroop terug in zijn bed, zijn hoofd vol sterren en zijn handen vol nieuwe vrienden. Door het raam zag hij één laatste lampion flikkeren en hoorde hij op afstand hun stemmen: "Negen, tien!" De echo antwoordde: "Negen, tien!" en het klonk als een lach die niet eerder had geklonken — warm, samen en blij.