Hoofdstuk 1: Een dappere adem in het Pufbos
In het Pufbos stonden de bomen zo dicht op elkaar dat ze elkaar kietelden met hun bladeren. Als de wind kwam, klonk het alsof het bos giechelde. Tussen de varens woonde een kleine kabouter met een grote muts en een nog grotere gewoonte: diep ademhalen.
Hij heette Flik.
Flik was niet zomaar dapper. Hij was “ik-doe-het-wel-even”-dapper. En voordat hij iets deed, deed hij altijd dit:
Hij zette zijn voeten stevig neer, kneep zijn ogen even dicht en ademde diep in.
“Fffff… zzzzz… HA!” zuchtte hij dan, alsof hij een onzichtbare ballon leeg liet lopen.
Die ochtend kwam er een postduif aanvliegen met een brief die naar kaneel rook. De duif landde op Fliks paddenstoelentafel en schudde de veren uit.
“Post voor… eh… Fliep? Flap?” mompelde de duif.
“Flik,” zei Flik vriendelijk. “Maar je mag ook ‘Heer Kabouter Met De Prachtige Muts' zeggen.”
De duif knikte alsof dat heel normaal was en vloog weg.
Flik scheurde de envelop open. Er stond in grote, krullerige letters:
Beste Flik,
In de Snoepstad is iets geks gebeurd. De Fontein van Frisheid spuit alleen nog maar… limonadesnot.
Iedereen glijdt uit. De burgemeester glijdt óók uit. Vooral de burgemeester.
Kom alsjeblieft helpen. Neem je slimste ideeën mee.
Groetjes,
Mimi de Suikerfee
Flik las het nog eens. Limonadesnot? Dat klonk plakkerig én grappig, maar vooral onhandig. Hij pakte meteen zijn rugzak.
In zijn rugzak zaten altijd:
- een kurkentrekker (voor noodgevallen en ingewikkelde flessen)
- een touwtje (voor alles wat “even vast” moet)
- een lepel (voor soep, ijs, en onverwachte problemen)
- en een klein doosje met “handige rommel” (zoals knopen, een veer, drie knikkers en een piepklein parapluutje)
Voordat hij vertrok, keek hij naar zijn spiegelbeeld in een dauwdruppel.
“Flik,” zei hij tegen zichzelf, “je bent klein, je bent snel, en je kunt heel diep ademhalen. Dat is al drie keer winst.”
Toen deed hij zijn beroemde adem:
“Fffff… zzzzz… HA!”
En hup, op pad. Over de Wiebelbrug, langs de Pratende Pompoenen (die vandaag mopperden over de kleur van de zon), en door de Wolkenpoort, waar je alleen doorheen mocht als je je tong naar je neus kon krullen. Flik kon dat net niet, maar hij deed alsof, en dat werkte ook.
Aan het einde van het pad zag hij Snoepstad liggen: huizen van koek, daken van slagroom en straatstenen van gekleurde suiker. Normaal rook het er naar vanille en vrolijkheid. Nu rook het ook naar… iets zuur-zoets, alsof iemand een citroen had laten schrikken.
Bij de poort stond Mimi de Suikerfee te wapperen met haar handen. Ze had een schort om met “NIET LIKKEN!” erop.
“Flik! Gelukkig!” riep ze. “Kijk uit, het is glad!”
Flik zette een stap en… woeps! Hij gleed als een pinguïn op sokken naar binnen.
“Dit is…” zei hij terwijl hij probeerde elegant te vallen, “…heel sportief!”
Mimi trok hem overeind.
“De Fontein van Frisheid is stuk,” zei ze. “En iedereen glijdt, zelfs de standbeelden. Gisteren zag ik een marsepeinen paard per ongeluk de bakkerij in schuiven.”
Flik keek naar het midden van de stad. Daar spoot de fontein inderdaad een glimmende straal uit die klaterde, blubberde en plakte.
“Limonadesnot,” fluisterde Flik. “Wie heeft dat verzonnen?”
“Niemand,” zei Mimi. “Het gebeurde ineens. En nu smaakt alles naar… verrassing.”
Op dat moment kwam de burgemeester aanrennen. Hij was een grote man van peperkoek met een ketting van zuurstokken om zijn nek. Hij wilde heel streng kijken, maar zijn snor was van poedersuiker en viel telkens naar beneden.
“Dit is een ramp!” riep hij, en… woeps! Daar ging hij. Hij gleed in een halve cirkel en eindigde met zijn gezicht in een suikerspin.
“Mmmf,” zei de burgemeester, “ik… ben… woedend… en… plakkerig!”
Flik hielp hem overeind.
“Maak u geen zorgen,” zei Flik. “Ik ga het oplossen. Ik adem diep, ik denk slim, en ik neem… een lepel.”
“Een lepel?” vroeg de burgemeester.
“Je weet maar nooit,” zei Flik ernstig. “Sommige problemen zijn eigenlijk soep.”
Mimi lachte. “Kom. We moeten naar de fontein.”
Flik knikte, ademde diep in en stapte voorzichtig richting het plakkerige avontuur.
Hoofdstuk 2: Het mysterie van de snotfontein
Bij de fontein stond een kring van bewoners: een dropkat, drie kauwgomballen met pootjes, een ijsjes-tweeling en een oude toveraar die eruitzag alsof hij per ongeluk in cacao was gevallen.
De toveraar boog naar Flik.
“Ik ben Meester Mokkaboon,” zei hij. “Ik heb al twintig spreuken geprobeerd. De fontein lacht me uit.”
De fontein maakte inderdaad een vreemd geluid: “PLOP-plop-plop!” alsof hij zelf ook moest giechelen.
Flik keek naar de stenen rand. Er zat een glanzend laagje op, alsof iemand er overal doorzichtig snoep overheen had gesmeerd. Hij doopte zijn vinger erin en rook eraan. Zuur, zoet… en een beetje naar munt.
“Dit is geen gewone limonade,” mompelde hij.
Mimi zette haar handen in haar zij.
“Gisteravond was de fontein nog normaal. Toen kwam er een wolkje voorbij dat rook naar komkommer en… boem, limonadesnot.”
De ijsjes-tweeling zei tegelijk:
“Wij zagen iets!”
“Een klein deurtje!”
“Onder de fontein!”
“En het piepte!”
“Een deurtje onder de fontein?” herhaalde Flik. Zijn ogen glinsterden. Een deurtje betekende bijna altijd een geheim. En een geheim betekende bijna altijd een probleem met een rare oplossing.
Meester Mokkaboon klopte op de fonteinrand.
“Ik heb ertegen getoverd,” zei hij trots. “Het bleef gewoon nat.”
Flik knikte beleefd. “Soms helpt toveren. En soms helpt… kijken.”
Hij knielde, ademde diep in (“Fffff… zzzzz… HA!”) en schoof voorzichtig over de glibberige rand naar beneden. Mimi hield zijn muts vast, voor de zekerheid.
“Als je valt,” zei ze, “valt je muts tenminste niet óók.”
Onder de fontein, tussen twee zuurstokpilaren, zag Flik het: een piepklein deurtje met een belletje. Op het deurtje stond: “ALLEEN KLOPPEN ALS JE EEN GOED IDEE HEBT.”
Flik glimlachte.
“Dan ben ik precies de juiste kabouter,” fluisterde hij.
Hij klopte drie keer: tok-tok-tok.
Het belletje ging: tring!
Het deurtje ging een stukje open. Er kwam een handje naar buiten dat helemaal plakkerig was.
“WIE stoort mijn… eh… mijn werk?” piepte een stem.
Flik boog.
“Hallo! Ik ben Flik. Ik ben hier omdat de fontein limonadesnot spuit. Dat lijkt me… niet de bedoeling.”
“Nou ja,” zei de stem, “het is wél heel glanzend.”
Het deurtje ging verder open. Daar stond een klein wezen met een labjas van wafels en een bril van zuurtjes. Hij had haar dat alle kanten opstond, alsof hij zijn hoofd in een suikerspin had gestoken.
“Ik ben Professor Prik,” zei hij. “Uitvinder. Testpersoon. Soms slachtoffer.”
Mimi riep van boven: “Wat heb je gedaan, Professor?!”
Professor Prik keek trots.
“Ik wilde de Fontein van Frisheid verbeteren. Extra fris! Superfris! Mega-ultra-fris!”
Hij hield een flesje omhoog met een etiket: “FRISHEID EXTRA 3000 (niet schudden).”
Flik wees naar de spuitende straal.
“En nu is het… snot.”
“Het is geen snot,” zei Professor Prik beledigd. “Het is… eh… schuimige limonadegel. Met karakter.”
Meester Mokkaboon riep: “Het karakter duwt me om!”
Professor Prik zuchtte.
“Okee, klein detail: ik heb per ongeluk het mengsel in de wronge pijp gegoten. Dat is de pijp die naar de ‘Grappige Dingen'-kamer gaat.”
“De wát-kamer?” vroeg Flik.
Professor Prik knikte. “Elke fontein heeft een Grappige Dingen-kamer. Anders zou water saai worden. Daar zitten belletjes, bubbelgrappen, en… een oude lachslang.”
“Een lachslang?” Mimi keek bezorgd, maar niet té bezorgd. Het klonk eerder alsof ze probeerde niet te lachen.
“Hij is niet gevaarlijk,” zei Professor Prik snel. “Hij kietelt alleen… alles. En als hij kietelt, komt er gel in de leidingen. Dat is de regel. Een heel… natte regel.”
Flik krabde aan zijn kin.
“Dus de lachslang wordt kietelig, daardoor komt er gel, en daardoor glijdt de hele stad weg.”
“Precies!” zei Professor Prik opgelucht. “Eindelijk iemand die mijn chaos begrijpt!”
Flik dacht na. Hij keek in zijn rugzak. Touwtje. Lepel. Kurkentrekker. Knikkers. Piepklein parapluutje.
“Professor,” zei Flik, “kan jij de lachslang weer rustig krijgen?”
Professor Prik haalde zijn schouders op. “Ik heb hem geprobeerd te sussen met een mop. Toen lachte hij zó hard dat de leidingen begonnen te hikken.”
De fontein deed: “HIK! PLOP!”
De burgemeester riep: “Mijn stad is een glijbaan!”
Flik knikte.
“Dan doen we iets anders. We gebruiken geen moppen. We gebruiken… ingéniositeit.”
“Ingé… wat?” vroeg een kauwgombal.
“Slim knutselen,” zei Flik. “Kom. We gaan die Grappige Dingen-kamer in.”
Professor Prik trok aan een hendel. Het deurtje werd een luik, het luik werd een trap, en de trap werd… heel glibberig.
“Pas op,” zei Mimi.
Flik ademde diep in. “Fffff… zzzzz… HA!”
“En nu,” zei hij, “kleine stapjes. Alsof je over pudding loopt die je niet wilt beledigen.”
Samen schuifelden ze naar beneden, de geheimzinnige fonteinbuik in, op weg naar een lachslang die waarschijnlijk al hikte van plezier.
Hoofdstuk 3: De lachslang en het plan met de knikkers
Onder de fontein was het alsof je in een reusachtige snoepketel stapte. De muren glommen. Er hingen bellen die zachtjes “boing” deden als je erlangs liep. En in het midden kronkelde een dikke, blauwe slang met een strik om zijn nek.
Hij lachte. Niet zomaar lachte. Hij lachte met zijn hele lijf.
“Hihihihi-HOHOHO-PLIEP!” gierde de lachslang, terwijl hij zijn staart tegen een buis tikte. Bij elke tik spoot er een extra klodder gel in een trechter.
Mimi fluisterde: “Hij is… schattig.”
“En ook een beetje nat,” zei Flik, terwijl hij bijna uitgleed op een plas frisheidsgel.
Professor Prik stapte naar voren met een streng gezicht dat meteen uit elkaar smolt van het gegiechel in de lucht.
“Lachslang, stop met kietelen!” zei hij.
De lachslang keek hem aan en deed: “PFFFT!” een mini-bubbel die naar pepermunt rook.
Toen begon hij nóg harder te lachen, alsof “stop” het grappigste woord ter wereld was.
Flik hield zijn handen omhoog.
“Hallo, lachslang,” zei hij rustig. “Ik ben Flik. Ik kom niet om je lachen af te pakken. Ik wil alleen dat de stad niet meer uitglijdt.”
De lachslang kneep zijn ogen samen. Zijn tong kwam een beetje naar buiten, alsof hij nadacht. Toen schoot hij met zijn tong naar een bel en… KIE-TEL! De bel lachte terug.
“Boinghahaha!”
Meester Mokkaboon, die ook mee naar beneden was gekomen (hij had gezegd dat een echte tovenaar alles wilde zien), fluisterde:
“Je kunt hem misschien betoveren met stilte.”
Flik schudde zijn hoofd.
“Stilte in een Grappige Dingen-kamer? Dat is alsof je een pannenkoek vraagt om recht te lopen.”
Flik keek om zich heen. Aan de muur zag hij een bordje: “LET OP: LACHSLANGEN LUISTEREN NAAR RITME.”
Ritme… Flik tikte met zijn vinger op zijn lepel. Ting. Ting-ting. Ting.
De lachslang hield even op met gieren. Zijn oren (ja, hij had kleine oortjes) wiebelden.
“Ting?” deed hij nieuwsgierig.
Flik glimlachte. Dit was een ingang.
“Hou je van muziek?” vroeg Flik.
De lachslang knikte en deed een klein dansje. Daarbij spoot er per ongeluk gel uit zijn neus. “Ploep!”
“Oké,” zei Flik. “Dan maken we een liedje waarbij jij rustig wordt.”
Professor Prik fluisterde: “Ik kan fluiten, maar alleen als ik niet zenuwachtig ben. En ik ben altijd zenuwachtig.”
Mimi zei: “Ik kan klappen! Als ik niet uitglijd.”
Flik haalde zijn doosje “handige rommel” tevoorschijn. Daar zaten drie knikkers in.
“Deze knikkers,” zei Flik, “zijn eigenlijk ritme-bolletjes. Kijk.”
Hij legde ze in een klein gootje dat langs de muur liep. Het gootje liep rond als een racebaan.
“Als we de knikkers laten rollen,” zei Flik, “maken ze tik-tik-tik, steeds hetzelfde. Dat is een rustig ritme.”
Meester Mokkaboon fronste. “Knikkers als magie?”
“Knikkers zijn ook een beetje magie,” zei Flik. “Je verliest ze altijd precies op de plek waar je ze later weer nodig hebt.”
Flik gebruikte zijn touwtje om een klein hekje te maken bij het einde van het gootje. Zo zouden de knikkers blijven rondrollen en niet wegspringen.
Toen zette hij zijn mini-parapluutje open en hield het boven een buis die steeds gel druppelde.
“Dit is mijn gel-regenjas,” zei hij.
Mimi giechelde. “Dat parapluutje is kleiner dan mijn theekop.”
“Maar net zo dapper,” zei Flik.
Hij gaf de knikkers een zetje. Ze rolden: tik-tik-tik… tik-tik-tik… tik-tik-tik…
De lachslang luisterde. Zijn lach werd zachter.
“Hihi… tik… haha… tik…”
Zijn staart stopte met wild slaan. De gel in de trechter druppelde nog, maar het spoot niet meer.
“Goed zo,” fluisterde Flik. “Rustig maar.”
Professor Prik zei zacht: “Het werkt!”
Maar toen—PLOINK—sprong één knikker over het touwtje heen en rolde zo de kamer uit, recht de pijp in.
De pijp maakte: “GLOEP.”
De fontein boven hen maakte: “HIK!”
En in de verte klonk een enorme “WOOOOOESJ!”, alsof heel Snoepstad tegelijk een uitglijwedstrijd begon.
Mimi keek naar Flik met grote ogen.
“Flik… volgens mij is die knikker naar de verkeerde plek gerold.”
Flik knikte langzaam.
“Oké,” zei hij. “Dan hebben we nu een nieuw probleem. Maar we hebben ook een plan. We maken het plan… slimmer.”
Hij ademde diep in. “Fffff… zzzzz… HA!”
“Professor,” zei hij, “waar komt die pijp uit?”
Professor Prik slikte.
“In de Geurkamer,” zei hij. “Daar worden alle lekkere geuren gemengd. Vanille, aardbei, munt… alles.”
Meester Mokkaboon trok aan zijn baard. “Als die knikker daar een knop raakt…”
“Dan krijgt de stad misschien een geur-explosie,” zei Mimi.
Flik glimlachte dapper.
“Nou,” zei hij, “dan eindigen we in elk geval niet met limonadesnot, maar met… iets dat ruikt.”
En met snelle, kleine stappen renden ze achter de pijp aan, op weg naar de Geurkamer, terwijl de lachslang zachtjes mee-tikte: “tik… tik… hihi… tik…”
Hoofdstuk 4: De Geurkamer en het discrete parfum
De Geurkamer was een ronde ruimte vol glazen potten. In elke pot zat een geur, gevangen als een klein wolkje. Er waren labels: “Appeltaart”, “Nat gras”, “Nieuwe kleurpotloden”, “Oma's knuffel” en ook eentje met “Sokken (per ongeluk)”.
In het midden stond een groot mengwiel met pijlen en een hendel. En daar, heel onschuldig, lag de ontsnapte knikker. Hij had zich precies tegen een knopje aan gerold waarop stond: “PARFUMSTAND: HEEL VEEL.”
“Uh-oh,” zei Professor Prik. “Dat knopje is gevoelig. Als je het duwt, blaast hij parfum door heel Snoepstad.”
Mimi wees naar een andere knop. “En die daar: ‘PARFUMSTAND: DISCREET'.”
Meester Mokkaboon zuchtte opgelucht. “Dan drukken we die toch?”
Flik hield zijn hand tegen.
“Wacht,” zei hij. “We moeten eerst de fontein stoppen met gel. Anders ruikt de stad lekker, maar glijdt iedereen nog steeds het parfum achterna.”
Vanuit een rooster in de vloer klonk boven hen: “Woeps!” gevolgd door een lachje en het geluid van iemand die in een slagroomstruik belandde. Niets ernstigs, vooral plakkerig.
Flik keek naar het mengwiel. Er zat een pijp die terugliep naar de fontein. Op die pijp stond: “FRISHEIDSTOEVOER.”
Daarnaast stond een klein kraantje: “KIEBEL-TERUGSLAG.”
“Dat is het!” zei Flik. “Als we de kiebels terugsturen naar de lachslang, stopt hij met gel maken. Dan kan hij weer gewoon lachen zonder te spuiten.”
Professor Prik keek verbaasd. “Kiebels… terugsturen?”
Flik knikte. “Ja. Zoals je een bal teruggooit. Maar dan… kietelig.”
Hij pakte zijn lepel en hield hem onder een druppelende slang waar de gel nog langs sijpelde. De gel plopte in de lepel als een dikke bel.
“Perfect,” zei Flik. “Gel is plakkerig. Plakkerig kan dingen vasthouden.”
Hij schepte voorzichtig een beetje gel op de rand van het kraantje, precies zodat het kraantje niet meer automatisch terug sprong.
“Nu blijft hij open,” zei Flik. “En nu…”
Hij pakte zijn kurkentrekker en draaide ermee aan het mengwiel, omdat zijn handen te glad waren.
“Wie heeft er nu een kurkentrekker nodig?” vroeg Mimi.
“Altijd,” zei Flik. “Voor flessen, voor wielen, voor moeilijke dagen.”
Het mengwiel klikte. De pijp begon zacht te zoemen. Een luchtstroom ging de verkeerde kant op: van de fontein naar beneden, en van beneden naar de lachslang.
In de verte klonk: “HATSJIE-KIEK!” gevolgd door “Hihihi!” De lachslang kreeg zijn eigen kiebels terug, maar nu in kleine porties, alsof iemand hem heel netjes aan het kietelen was met een veertje.
De gelstroom stopte. Boven hen klonk het klateren van gewone, frisse fonteinspetters. Geen plop, geen hik.
Mimi luisterde.
“Het… is weer water!” zei ze blij.
Professor Prik sprong bijna van vreugde, maar hij sprong voorzichtig, want hij had geleerd dat springen in Snoepstad meestal eindigt in glijden.
“Flik! Dat is briljant! Je hebt kiebels omgedraaid!”
Flik haalde zijn schouders op, alsof het heel normaal was om kiebels te sturen als post.
“Oké,” zei hij. “Nu nog de geur. Want ik denk dat die knikker elk moment—”
KLIK.
De knikker rolde een millimeter. Dat was genoeg. Het “HEEL VEEL”-knopje begon al te trillen, alsof het zin had om de hele stad te parfumeren tot zelfs de wolken niezen.
“Niet doen!” riep de burgemeester ineens, die ook de Geurkamer binnen was gegleden (iemand had hem gevolgd als een schuivende koekjeskoning).
“Als Snoepstad te hard ruikt, gaat iedereen elkaar besnuffelen. Dan komen we nooit meer aan werken toe!”
Flik knikte. “We gaan voor discreet.”
Maar hoe druk je op “DISCREET” zonder per ongeluk “HEEL VEEL” te duwen? De knopjes zaten naast elkaar, alsof ze beste vrienden waren die je niet uit elkaar kon houden.
Flik dacht snel. Hij keek rond. Potten. Labels. Een wolkje “Nieuwe kleurpotloden”. Een wolkje “Appeltaart”. En een pot “Sokken (per ongeluk)”.
Hij grinnikte.
“Die laatste is een noodstop,” mompelde hij.
Mimi trok haar neus op. “Ew.”
“Geen zorgen,” zei Flik. “We gebruiken hem niet. Hopelijk.”
Flik pakte zijn touwtje en maakte er een lus mee. Hij gooide de lus voorzichtig om de “DISCREET”-hendel die iets verderop zat, boven het knopje. Aan de lus hing hij zijn mini-parapluutje als gewichtje.
“Oké,” zei hij, “dit is de kabouter-kraanvogel.”
Professor Prik keek bewonderend. “Dat is… echt een ding.”
Flik trok aan het touwtje. De hendel bewoog langzaam naar “DISCREET” zonder dat iemand met een vinger in de buurt kwam van “HEEL VEEL”.
De machine zuchtte tevreden: “Pffff.”
Alsof hij zelf ook diep ademhaalde.
Een zachte, dunne geur verspreidde zich door de kamer. Niet hard. Niet wild. Gewoon… fijn. Een beetje vanille, een beetje munt, en heel stiekem een vleugje bloem die je pas ruikt als je glimlacht.
Boven hen klonk gejuich. Door het rooster hoorde Flik:
“De straat plakt niet meer!”
“Mijn schoenen zitten weer aan mijn voeten!”
“De burgemeester staat recht!”
De burgemeester snufte aan zijn eigen mouw en knikte plechtig.
“Het ruikt… beschaafd,” zei hij. “Alsof iemand netjes ‘hallo' zegt met een geurtje.”
Mimi klapte in haar handen.
“Flik, je hebt het gedaan! Met knikkers en een paraplu!”
Meester Mokkaboon bromde vriendelijk: “En zonder één enge spreuk. Best knap.”
Professor Prik keek schuldbewust.
“Het spijt me van mijn Frisheid Extra 3000,” zei hij. “Ik wilde gewoon helpen.”
Flik legde een hand op zijn wafellabjas.
“Je hebt ook geholpen,” zei hij. “Je hebt ons een probleem gegeven dat we konden oplossen. Dat is… een soort cadeau. Een plakkerig cadeau.”
Iedereen lachte. Zelfs de burgemeester. Zijn poedersuikersnor viel weer naar beneden, maar deze keer vond hij het niet erg.
Flik deed nog één keer zijn beroemde adem, rustig en tevreden:
“Fffff… zzzzz… HA!”
Toen liep hij met Mimi naar buiten. Snoepstad glinsterde weer normaal. De fontein spetterde fris water. Niemand gleed, behalve één dropkat die deed alsof, omdat het leuk was.
In de lucht hing het discrete parfum als een geheim glimlachje. Je rook het alleen als je even stilstond.
Mimi zei zacht: “Wat ruikt dat fijn.”
Flik knikte.
“Een klein geurtje is net als een slim idee,” zei hij. “Je ziet het niet, maar het maakt alles beter.”
En terwijl de stad weer verder ging met lachen, bakken en vrolijk doen, stapte Flik terug richting het Pufbos, met zijn rugzak vol rommel en zijn hoofd vol nieuwe plannen—klaar voor het volgende gekke probleem dat per ongeluk om ingéniositeit zou vragen.