Het is bijna avond in de grote stad van morgen. Milan is vier. Hij draagt zijn kleine rugzak. In zijn zak zit een lichtpotje. Het lichtpotje gloeit warm en zacht. Het kan ook kleine plaatjes laten zien. Dat helpt om iets duidelijk te maken.
De stad is vriendelijk voor de lucht, het water en de grond. De daken zijn tuinen. De lucht is stil en schoon. In de grachten zwemt helder water. Langs de paden groeien kruiden. De bruggen zijn lichtbruggen. Ze lichten op in zachte kleuren. Zo weet iedereen waar hij heen moet, zonder dat de sterren pijn doen aan hun ogen.
Milan loopt met mama langs de gracht. Hij heeft een taak. Hij groet mensen en kijkt of iedereen fijn naar huis kan. ‘Goedenavond!' zegt hij vaak. Hij wijst soms naar een pad. Hij voelt zich trots en rustig.
Plots is een licht op een brug wat moe. Het licht knippert zacht. Een papa met een kinderwagen stopt. ‘Welke brug gaat naar de Zuidtuin?' vraagt hij.
Aan de brug staat een vrouw met een gereedschapskist. Ze draagt een geel vest. Ze lacht. ‘Ik ben Lila. Ik ben de technicus, de maker van de bruglichten,' zegt ze. ‘Dit licht is bijna klaar. Nog één schroef.'
Milan knikt. Hij pakt zijn lichtpotje. ‘Mag ik even helpen?' vraagt hij.
‘Graag,' zegt Lila. ‘Laat jouw potje maar even praten.'
Milan tikt op het glas. Het potje gloeit zacht. Er verschijnt een klein plaatje. Het is een boom met een vogelnest, en een pijl naar rechts. ‘Daarheen is de Zuidtuin,' zegt Milan blij.
‘Dank je,' zegt de papa. Hij duwt de kinderwagen rustig over de brug. Het lichtpotje glimlacht als een klein maanlampje. Lila draait haar schroef vast. De brug zucht van plezier en wordt weer helder. De kleuren golven heel rustig, blauw en groen.
Ze lopen verder. Een bakker op een stille fiets zwaait. ‘De warme broodstraat is links!' zegt Milan. Het lichtpotje laat een broodje zien. De bakker lacht.
Een meisje zoekt haar kat. ‘Die is bij de vijver,' zegt mama zacht. Het lichtpotje toont een visje en een hart. Het meisje zegt: ‘Dank je.' Ze huppelt met haar mama naar de vijver. Even later zwaait ze. De kat spint.
De lucht wordt donkerblauw. De eerste sterren kniperen. De lichtbruggen ademen licht, langzaam en kalm. Aan de rand van het plein staan de nachtwachters. Ze dragen mantels met kleine sterren erop. Ze kijken en luisteren. Ze waken over de tuinen, het water en de paden.
‘Wij blijven hier,' zeggen ze zacht. ‘Slaap maar rustig, stad.'
Milan gaapt. Hij stopt het lichtpotje naast zijn borst. Het gloeit als een veilige zon. ‘Alles en iedereen is bijna thuis,' fluistert hij.
Thuis kruipt hij in bed. Mama strijkt over zijn haar. Buiten zingen de bruggen heel laag. De nachtwachters knikken. De stad glimlacht. Alles is stil, licht en goed.