De vondst
Tom is zes jaar. Hij houdt van spoken van papier en van grote pompoenen. Het is Halloween. De lucht ruikt naar natte bladeren en kaneel. Buiten tikken de takken tegen het raam. Binnen brandt een kaars in een uitgeholde pompoen. De vlam danst. Het licht is warm en een beetje spannend.
Op de deurmat ligt een klein pakje. Het is ingepakt in zwart papier met oranje sterretjes. Tom kijkt met grote ogen. Wie heeft dat gezet? Hij hoort zijn hart sneller kloppen. Eerst een beetje bang. Dan nieuwsgierig. Zijn ouders slapen al. Hij fluistert: “Ik ga even kijken.” Hij trekt zijn jas aan. De nacht is zacht en koel. Bladeren kraken onder zijn schoenen. Er klinkt een uil ergens ver weg.
Bij de voordeur staat het pakje stil. Er zit een kaartje bij met één woord: “Voor jou.” Tom voelt warmte in zijn borst. Hij wil weten wie het gegeven heeft. Alleen, denken maakt hem dapper. Hij loopt de straat op. Lampen schijnen zwak. Pompoenen glimlachen langs de stoep. Kinderen rennen langs in kleuren en veren. Hun stemmen klinken vrolijk en een beetje raar.
Het zoeken
Tom klopt aan bij het huis van mevrouw Jansen. Haar tuin is vol lantaarns en een zwart katje. De kat spint en duwt zijn kopje tegen Tom's hand. Mevrouw Jansen doet de deur open. Ze draagt een dikke sjaal en een grote glimlach. “Trick or treat?” vraagt Tom zacht. Mevrouw Jansen schudt haar hoofd. Ze zegt dat ze niets heeft gezien, alleen dat ze vanavond alleen koekjes bakte. Haar ogen zijn een beetje glazig. Tom ziet iets liefs in haar blik. Hij deelt zijn vermoeden niet. Hij bedankt haar en geeft het katje een aai.
Verderop staat Max in een vampiercape. Max knipoogt. Hij zegt: “Misschien was het de nachtwind.” Tom lacht. Max maakt een eng geluid met zijn handen. Het klinkt meer raar dan eng. Tom voelt zich beter. Ze rennen even samen tussen de struiken. Een kleine vleermuis vliegt laag en schrikt hen niet. De vleermuis landt op een haag en kijkt met zwarte oogjes. “Hij kan niks zeggen,” zegt Max. Ze vinden het grappig.
Tom belandt bij het oude huis van meneer Piet. Daar brandt een licht in het raam. Een lichte gedaante loopt langs het gordijn. Tom denkt aan spookverhalen. Hij klopt zacht. Meneer Piet doet open en lacht met een zachte stem. Hij nodigt Tom binnen op warme chocolademelk. In de keuken ligt een papieren pompoen. Meneer Piet zegt dat hij vanavond alleen oude foto's kijkt. “Soms wil ik iemand verrassen,” zegt hij. Maar hij zweert dat hij niets heeft achtergelaten. Tom proeft de cacao. Het is zoet en troostend.
Tom hoort het ritselen van papier in een steeg. Daar zit Sara, zijn buurmeisje, met een toverhoed. Ze tekent een tekening voor haar moeder. Haar gezicht is serieus. Ze zegt dat ze iets heeft gegeven aan de postbode. Tom vraagt of ze het pakje heeft gezien. Ze schudt haar hoofd. “Maar als ik iemand verras, word ik blij,” fluistert ze. Tom kijkt naar de maan. Hij voelt iets in zijn buik. Het is als een zacht knuffelgevoel. Iemand wil dapper zijn en geven. Ook al is dat niet makkelijk soms.
De ontdekking
Tom loopt terug naar zijn eigen huis. Zijn handen zijn koud. Hij pakt het pakje. Hij voelt een rits van papier. Binnen zit een klein zakje met geurende pepernoten en een briefje. In de brief staat: “Voor Tom, omdat jij altijd lacht naar de nacht. Groetjes, jouw buurman.” Tom kent de handtekening. Het is meneer Piet. Hij voelt een botje van verrassing. Waarom zei meneer Piet dat hij niets had gedaan?
Tom loopt terug naar het raam van meneer Piet. Hij klopt zacht. Meneer Piet doet open. Zijn ogen glanzen. Hij lacht verlegen. “Ik wilde je niet storen,” zegt hij. “Ik wilde je verrassen omdat ik soms bang ben om te vragen of iemand mijn vriend wil zijn.” Tom ziet dat meneer Piet eenzaam is geweest. Hij begrijpt het ineens. Tom tilt zijn hand naar het raam en tikt voorzichtig. “Dank u,” zegt hij. Zijn stem is klein en warm.
Meneer Piet nodigt Tom binnen voor nog een kopje cacao. Ze praten over sterren en pompoenen en waarom geven soms spannend is. Tom vertelt over zijn nachtelijke zoektocht. Meneer Piet lacht zacht en zegt dat hij blij is dat Tom nieuwsgierig was, maar ook dapper genoeg om te luisteren. Ze delen pepernoten. Het suiker kruimelt op hun mouwen. Buiten ritselen de bomen en een uil zingt een zachte noot.
Wanneer Tom thuiskomt, klimmen de laatste sterren hoger. Zijn moeder staat bij het raam. Ze glimlacht en zegt: “Ben je moe?” Tom knikt. Hij legt het lege doosje en het briefje op zijn nachtkastje. Hij voelt zich blij en voldaan. Hij denkt aan meneer Piet en aan mevrouw Jansen en aan Sara. Hij begrijpt dat geven soms geheim en soms open is. Het mooiste is dat het laat zien dat iemand om je geeft.
Tom kijkt nog even naar het straatje. De pompoenen gloeien. De wind fluistert. Hij sluit zijn slaapkamerraam. Het klikt zacht. De kamer wordt rustig en warm. Buiten waait de nacht zachtjes verder. Tom glimlacht en valt in slaap, met het gevoel dat hij gehoord en gezien is.