Het plan
Noor, Finn en Suri zijn vijf jaar. Ze zitten in de tuin bij de grote kastanjeboom. De lucht ruikt naar natte bladeren en een beetje naar verf. Het is bijna Halloween. De avond komt vroeg. De lucht wordt paars en zacht grijs.
Ze hebben een groot vel papier meegenomen. Het is groter dan hun armen. Er is oranje verf. Er is paarse verf. Er is witte verf, zo wit als melk. Er zijn kwasten, een spons, glitters en plakband. In het mandje achter op Suri's rolstoel rammelen de potjes. Ze lachen om het geluid. Het klinkt als kleine botjes, maar het zijn gewoon dopjes.
Het doel is duidelijk. Ze willen een mooie poster maken. Een poster voor het feest in de straat. Op de poster komt een maan. En een lachende pompoen. En een spook dat niet bang maakt. Eerder vriendelijk. Een spook dat lijkt te zwaaien, met een zachte glimlach.
Ze verdelen het werk. Noor schildert de maan. Haar kwast is nat en zacht. Finn maakt de pompoen rond en glanzend. Hij drukt voorzichtig met de spons. Zacht, dab dab. Suri schildert sterren. Kleine punten, dan een groter stipje. Ze houdt de kwast als een toverstok. Haar wielen staan stevig, de remmen vast. Ze kan goed bij het midden van het vel.
Ze praten weinig. Toch denken ze samen hetzelfde. Niemand hoeft bang te zijn. Niet van schaduwen. Niet van stilte. Niet van een nacht die klinkt als een fluistering. Ze schilderen met respect. Ze maken plek voor elkaar. Noor schuift het vel iets naar Suri toe. Finn houdt het potje vast zodat het niet valt. Elkaars handen blijven schoon, behalve de neuzen. Die krijgen vegen. Oranje, paars en wit op drie neusjes. Dat is een beetje grappig.
Spannige avond
De wind begint te zingen. Blaadjes draaien in een rondje. Een bruine jas aan de kapstok in de gang wiegt heen en weer. Door het raam lijkt het een lange schaduw. Noor kijkt even. Zij voelt de kriebel van spannend in haar buik. De schaduw is gewoon de jas. Dat is goed om te weten.
Er klinkt een oehoe. Het komt van het dak van het schuurtje. Een uil in de schemer. Zijn ogen glanzen als citroenschijfjes. Hij kijkt rustig. Hij knippert langzaam. Hij is geen spook. Hij is een nachtvriend. De kinderen knikken terug. Hallo, uil, denken ze.
Een kat sluipt langs het tuinpad. De kat is zwart en glad. In het donker lijkt hij bijna blauw. Zijn vacht klinkt zacht als hij tegen de deur strijkt. Zijn oogjes lichten op. Hij gaat zitten op de hoek van de poster. Heel even. Er verschijnt een afdruk van een pootje in glitter. Niet gepland. Toch past het precies. Alsof hij ook wil helpen.
De verf ruikt zoet. De lijm plakt aan de vingers. Finn trekt draadjes lijm als spaghettisliertjes. Hij lacht zonder geluid. Noor rolt met het penseel. De maan krijgt een hoedje. Een klein, scheef hoedje met sterretjes. Suri plakt stukjes zilverpapier op de rand. Het knispert. De poster klinkt nu als papier dat lacht.
Dan schuift er iets over het terras. Het ratelt zacht. De bezem, die tegen de muur stond, glijdt naar beneden. De stok tikt tegen de stenen. Dat klinkt als een klopje. Net als een geheim teken. Finn kijkt. Hij voelt even griezelige rillingen. Dan ziet hij de wind langs de bezem gaan. O, denkt hij. Het was de wind die even wilde vegen.
Op de grond hobbelt een klein bolletje. Het is een egel. Zijn stekels zijn nat van de dauw. Hij loopt per ongeluk door een plasje witte verf. Op de stoeptegel ontstaan kleine witte stippen. Mini-spookjesstappen. De kinderen kijken en glimlachen. Ze maken van de stipjes een pad naar de poster. Het lijkt nu alsof het spook zelf is komen aanlopen. Maar het is gewoon de egel met verfteen.
Suri zet haar zaklamp aan. Het is een lamp met een ster op de voorkant. Het licht is zacht, maar helder. Het maakt geen harde randen. Alleen een warme cirkel. Noor houdt het vel vast. Finn plakt de hoeken met tape. Zo blijft het recht. De avond is nu echt donker. De lucht smaakt een beetje naar kou en naar pompoen. Iemand in de straat bakt taart. Het ruikt veilig.
De poster
De poster is bijna af. De pompoen lacht breed. Hij heeft twee tanden. De maan draagt zijn scheve hoed met trots. Er hangen vleermuizen met strikjes. Niet eng, alleen een beetje giechelig. Alsof ze net een grap hebben gehoord. Het spook zwaait nog steeds. Het heeft nu een sjaaltje om. Paars, met drie glitters die fonkelen als een glimlach.
Ze voegen geluid toe met verf. Boogjes voor wind. Puntjes voor fluister. Lijntjes voor het krassen van de kat. De uil zit nog altijd op het dak. Hij draait zijn kop een beetje. Alsof hij zeggen wil dat het mooi is.
Ze denken aan iedereen. Aan de buurvrouw die soms bang is voor harde geluiden. Aan de baby die slaapt. Aan de oudere buurman die graag kijkt. Aan kinderen die lopen, en aan kinderen die rollen. Ze kiezen zachte kleuren naast de felle. Ze maken ruimte in de tekening. Iedereen past erop. Er is altijd plek. Ze luisteren naar elkaars ideeën. Als Noor een ster te groot maakt, lacht Finn en tekent er twee kleintjes naast. Als Finn een vleermuis scheef plakt, schuift Suri een wolkje eronder. Alles hoort erbij. Niets is fout. Dat voelt fijn.
Het laatste is de tekst. Grote, vriendelijke letters. Niet schreeuwerig. Helder en warm. Noor doopt de kwast in donkerpaars. Ze schildert langzaam. Finn houdt het potje vast. Suri veegt een druppel van de rand met de handpalm. De letters komen tevoorschijn. Welkom staat er. En daaronder: Kom erbij. De woorden staan stevig op het papier. Ze vallen niet. Ze dragen het feest, zoals goede woorden dat doen.
De wind gaat liggen. De bladeren liggen stil als slapende handen. De schaduwjas in de gang is gewoon een jas. De uil vliegt op en maakt geen lawaai. De kat heeft genoeg gezien en springt van de stoep. De egel zoekt een hoekje om te dromen. In de keuken brandt een klein licht. Binnen is het warm.
De kinderen kijken naar hun poster. Hij is niet bang. Hij is blij. Hij is stoer. Hij is net als zij: een beetje spannend, maar ook zacht. Ze voelen trots in hun buik. Het is een rustig gevoel, zoals een deken die goed ligt. Ze ruimen de kwasten op. De dopjes gaan weer in het mandje. De glitters blijven nog even op hun vingers plakken. Hun neuzen zijn nog steeds gekleurd. Dat is oké.
Ze hangen de poster aan de poort. Morgen ziet iedereen hem. Misschien lacht iemand die zich eerst verstopte. Misschien komt er iemand die anders thuis was gebleven. De poster kan iets goeds doen. Met verf en papier en geduld. Met ogen die kijken en handen die helpen. Met respect voor de nacht. En voor elkaar.
Ze stappen naar binnen. De deur gaat zacht dicht. In de gang is het licht geel en lief. De kastanjeboom buiten fluistert nog één keer. Dan is het stil. Op de poster schittert één losse glitter. Die beweegt heel even. Alsof hij knipoogt.
Samen.