Er was eens een lieve prins in een zacht koninkrijk. Het paleis glansde als een warme zon. De prins liep in de tuin. "Hallo," zei hij tegen een vogel. Toc-toc, klopten de blaadjes.
Hij vond een klein lichtje op een blad. "Kom," zei het lichtje. De prins volgde. Hop, hop, over een brug van mos. Het water zong plof, plof, plouf. De vissen dansten als kleine helden.
In het bos stonden bomen als oude vrienden. De prins boog zacht en zei dank je wel. Het lichtje leidde hem naar een bloem die zacht lachte. "Ik wil vrienden," fluisterde de bloem. De prins gaf een zonnestraal. De bloem kreeg kleur en glimlachte groot.
Alle dieren kwamen kijken. Een konijn zei "hoi" en een spin maakte een klein web als een fee. De prins deelde een stukje brood met iedereen. Iedereen voelde zich warm en blij. Geen storm, geen verdriet. Het nachtlicht kwam en maakte alles zacht en stil. De prins legde zijn hoofd op een kussen van wol en sloot zijn ogen.
De sterren hielden wacht en de dageraad wachtte zacht.
Elke vriend helpt en deelt liefde, dat maakt een koninkrijk warm.