In het grote gouden kasteel woont een kleine prins. Hij heeft zacht haar en warme handen. Elke ochtend wandelt hij in de tuin. De bloemen buigen en de vogels zingen. De lucht is zacht en blauw.
Op een dag ziet de prins een licht in het bos. Het licht glinstert. Hij stapt stil naar het pad. Hij houdt zijn hand voor zijn hart. Het bos is rustig. Een klein vlindertje vliegt voor hem. Het vlindertje leidt hem naar een bron. Het water is helder. Een klein visje zwemt glad.
De prins zegt zacht: "Hallo, vriend." Het visje draait rond. De prins lacht. Hij pakt een blosje brood. Het visje eet een stukje. De prins voelt zich blij.
Een oude boom staat bij de bron. Zijn bladjes fluisteren. De prins luistert. Een vogel bouwt een nest. De prins helpt met zachte takken. De vogel zegt: "Dank je." De prins knikt.
Het pad terug naar het kasteel is licht. De zon zendt warme vlammen van goud. De prins loopt rustig. Hij deelt zijn brood met een eend op de vijver. De eend kwakelt blij.
Thuis pakt de prins zijn kleine lantaarn. Hij zet haar bij het raam. De lantaarn licht het kasteel zacht op. De koning en de koningin komen. Ze knuffelen de prins. Ze zingen samen een kort lied. De nachtlucht voelt warm en veilig.
De prins stopt zijn hand in die van zijn ouders. Hij sluit zijn oogjes. Hij droomt van de bron, het vlindertje en de vogel. Zijn hart is stil en vol.
De prins leert dat delen en helpen een huis warm maken.