Er was eens een kleine prins in een groot paleis, met muren zo wit als sneeuw. De zon zei “hallo” door het raam. De prins lachte: “Dag zonnetje!” Buiten hoorde hij vogels: “tjilp-tjilp!” De prins liep zachtjes over het gras, “stap-stap”. Hij zag een glanzende vijver. Plots sprong er een kikker: “plons!” De prins klapte in zijn handen: “Dag kikker!” De kikker zei: “Kwak!” samen lachten ze: “hihi!”
De prins vond een bloem. Hij rook eraan. “Mmm!” De bloem boog zachtjes: “zwaai-zwaai!” De prins zei: “Dag bloem!” De wind blies zacht: “woesh!” De prins spreidde zijn armen: “Hop!” Hij danste rond de vijver. De bomen wiegden mee: “sjoesh-sjoesh.” Alles was rustig en fijn.
Toen struikelde de prins. “Oei!” Maar de kikker sprong snel: “hop!” De prins lachte weer. “Dank je kikker!” Samen zaten ze op het gras. De zon scheen zacht. De prins voelde zich blij in het magische paleis.
Altijd lief zijn, maakt iedereen blij.