Finn is drie jaar oud. Hij heeft kleine handen en grote ogen. Vandaag zit Finn op de mat in de woonkamer. Mama bouwt een hoge toren van blokken. Finn kijkt en denkt: “Ik kan dat niet. Ik kan nooit zo'n mooie toren maken.”
Mama lacht naar Finn. “Wil je het proberen?” vraagt ze zacht.
Finn schudt zijn hoofd. Zijn wangen kleuren een beetje rood. Hij durft niet. Wat als de toren omvalt? Wat als mama lacht? Finn voelt zich klein. Hij wil wel, maar hij denkt dat hij het niet kan.
Mama schuift de blokken naar Finn. “Misschien samen?” zegt ze rustig. Finn pakt voorzichtig één blokje. Hij zet het op een ander blokje. Het wiebelt een beetje. Finn houdt zijn adem in. De toren blijft staan.
“Goed gedaan!” zegt mama. Finn kijkt haar aan. Hij voelt zich een beetje trots.
Een blokje valt. Finn schrikt. Maar mama lacht. “Geeft niet,” zegt ze. “Blokken vallen soms. Dan bouwen we gewoon verder.”
Finn probeert nog een keer. Nu lukt het beter. De toren groeit. Soms valt er een blokje, maar Finn lacht nu mee. “Weer proberen!” roept hij blij.
Na een tijdje staat er een kleine toren. Finn is trots. Mama geeft hem een knuffel. “Zie je wel? Samen lukt het.”
Finn lacht. Hij kijkt naar de toren. “Ik dacht dat ik het niet kon, mama,” zegt hij zacht.
Mama knikt. “Soms denken we dat. Maar als we het proberen, lukt het vaak wel.”
Finn denkt na. Blokjes bouwen is niet eng. Samen is het fijn. Finn lacht hard. Mama lacht ook. Samen zijn ze blij.
Finn fluistert: “Volgende keer maak ik een nog grotere toren!” Mama knikt. Finn voelt zich groot. De kamer is warm. Finn is niet bang meer. Hij weet nu: proberen is goed, samen proberen is fijn.
Ze lachen nog eens. De angst is weg. Finn is klaar om te dromen.