In een warm en zonnig land, leefde er eens een grote, vriendelijke diplodocus. Zijn naam was Dippy. Dippy had een lange nek en een grote staart. Hij hield van te eten en te spelen.
Op een dag zag Dippy iets glinsteren in de verte. "Wat is dat?" vroeg Dippy. Hij stond op zijn tenen en keek beter. "Ik ga kijken!" zei Dippy enthousiast.
Dippy liep door de oude woestijn. De zon scheen en de lucht was blauw. "Wat een mooie dag!" zei Dippy. Terwijl hij liep, zag hij iets bijzonders. Het was een andere dinosaurussen, een kleine triceratops!
"Hallo!" zei Dippy. "Ik ben Dippy. Wie ben jij?"
"Ik ben Trixi!" zei de triceratops blij. "Wat kijk je naar?"
"Ik zie iets glinsteren," zei Dippy. "Laten we samen gaan kijken!"
Trixi knikte. "Ja, laten we gaan!"
Samen liepen ze naar het glinsterende object. Het was een oude schatkist, vol met mooie stenen. "Wauw!" riep Trixi. "Wat een schat!"
Dippy en Trixi keken naar de stenen. "Ze zijn zo kleurrijk!" zei Dippy.
"Ja, ze zijn prachtig," zei Trixi. "Laten we ze samen bekijken!"
Dippy en Trixi speelden de hele dag met de kleurrijke stenen. Ze lachten en renden. "Wat een fijne vriend ben jij, Trixi," zei Dippy.
"En jij ook, Dippy!" zei Trixi.
Zo werden Dippy en Trixi de beste vrienden. Ze speelden elke dag en ontdekten samen meer schatten. De woestijn was vol liefde en avontuur, en Dippy en Trixi waren altijd samen.