Er was eens een vrolijke velociraptor. Zijn naam was Velo. Velo hield van rennen. Hij rende snel, heel snel! Op een dag zei Velo: “Ik wil iets nieuws zien.”
Velo ging naar de grote heuvel. Boven op de heuvel keek hij om zich heen. “Wat is dat?” vroeg Velo. Hij zag een mistige plek. De plek glinsterde in de zon. “Ik ga kijken!” zei Velo.
Velo rende naar de mistige plek. De mist was zacht. “Hallo!” riep Velo. “Wie is hier?”
Een andere dino kwam tevoorschijn. Het was een kleine triceratops. “Ik ben Trixie,” zei ze. “Wat wil je doen, Velo?”
“Ik wil spelen!” zei Velo. “Wil je met me spelen?”
“Ja!” zei Trixie. “We kunnen verstoppertje spelen!”
Ze speelden samen. Velo verstopte zich achter een grote steen. “Kijk, Trixie! Ik ben hier!” riep Velo. Trixie zocht en zocht. “Waar ben je?” vroeg ze.
“Hier!” zei Velo. Ze lachten en speelden verder.
Na het spelen vertelde Trixie: “Wist je dat hier vreemde bloemen groeien?”
“Vreemde bloemen?” vroeg Velo. “Wat zijn dat?”
“Ze zijn blauw en lichtgevend in de nacht,” zei Trixie. “Laten we ze zoeken!”
Velo knikte. “Ja, laten we gaan!”
Ze liepen verder. De bloemen waren overal. “Kijk!” zei Velo. “Ze zijn mooi en glinsterend!”
“Ja!” zei Trixie. “Ze zijn magisch!”
De zon ging onder. “Het wordt donker,” zei Velo. “Maar de bloemen geven licht!”
“Wat een mooie wereld,” zei Trixie.
Velo en Trixie keken naar de bloemen. “Wat gaan we morgen doen?” vroeg Velo.
“Morgen gaan we de grote boom ontdekken!” zei Trixie.
Velo glimlachte. “Ja! Dat klinkt geweldig!”
En zo gingen Velo en Trixie samen naar huis, blij en vol avonturen. Ze wisten dat er nog veel meer te ontdekken was. “Tot morgen!” zeiden ze.
Ze gingen slapen, dromend van de magische wereld.