Het sneeuwde zachtjes op de daken van het kleine dorp. Lichtjes blinkten in de ramen. De lucht rook naar dennen en warme koekjes. Drie meisjes liepen hand in hand over het plein. Ze waren vier jaar oud en ze hadden dikke sjaals en wollen mutsen. Ze heetten Noor, Fleur en Mette.
"Wij gaan de straten een naam geven," zei Noor met een grote glimlach. Haar neusje werd rood van de koude. "Wij geven de straten lieve namen voor kerst," fluisterde Fleur. Mette klapte in haar handen. "Ja! Lieve namen!" riep ze blij.
Het dorp sliep bijna. Toch waren er lampjes in de bomen. Er stond een grote kerstboom op het plein. Rondom de boom lagen stapels kleine pakjes voor de pretendwinkel. De meisjes keken. Hun adem wolkte in de lucht. De sneeuw kraakte zacht onder hun laarzen.
"Noor," zei Fleur, "wat is de eerste straat?" Noor dacht even. Ze legde haar hoofdt opzij, zoals ze altijd deed als ze nadacht. "De Sterrenstraat," zei ze eindelijk. "Omdat de sterren boven ons twinkelen." Fleur en Mette klapten. "Sterrenstraat!" herhaalden ze vrolijk.
Ze schreven de naam in de lucht met hun vinger. De sneeuw leek op te lichten. Een kleine sneeuwvlok viel op Noor's muts. "Het ziet eruit als suiker," zei Mette. "Snoepsuiker," zei Fleur. Ze lachten zachtjes.
De tweede straat liep langs de bakkerij. Er kwam warme lucht uit de schoorsteen. De meisjes roken kaneel. "De Koekjeslaan," zei Fleur. "Koekjeslaan," zei Noor, en Mette herhaalde het zachtjes. Ze deden alsof ze koekjes bakten. "Kijk," zei Fleur. "Ik roer met een houten lepel." Noor deed mee. Mette blies een denkbeeldige suikerlaag over een denkbeeldig cakeje.
Aan de achterzijde van de kerk lag een kronkelend pad. Er groeiden hulststruikjes met rode bessen. "Hulstweg," fluisterde Mette. Haar stem was als een belletje. Noor en Fleur knikten. Ze zetten hun naam ook op het pad. De hulst leek te knikken terug, zo rood en vrolijk.
De meisjes vonden een klein bruggetje over een smalle beek. Het water liep rustig. Er zat ijs langs de oever. "Lichtbrug," zei Noor. "Lichtbrug omdat de maan er altijd overheen kijkt." Ze hielden even stil en luisterden naar het water. Het klonk als muziek. "Ting-ting," zei Fleur. "Ting-ting," lachte Mette.
Ze kwamen bij een rijtje huizen met gordijntjes vol kant. Een oudere mevrouw veegde de stoep en keek op. "Wat doen jullie, lieve meisjes?" vroeg ze vriendelijk. Noor stapte naar voren. "Wij geven de straten namen," zei ze trots. De mevrouw glimlachte. "O, wat een mooie taak," zei ze. "Mag ik iets voorstellen?" De meisjes knikten. "Er is altijd een wind die door het dorp danst. Noem die straat de Danswindstraat." De meisjes fluisterden de naam naar elkaar. Danswindstraat. Ze vonden het zo'n zachte naam dat ze hem meteen adopteerden.
Verderop hoorden ze gelach. Kinderen rolden sneeuwballen. Een hond rende en schudde sneeuw van zijn vacht. De meisjes staken hun handen uit en lieten sneeuw in hun palms glijden. "Zachtevlokkenpad," zei Fleur terwijl ze het woord langzaam uitsprak. Het klonk als een lied. "Zachtevlokkenpad," herhaalde Noor. "Zachtevlokkenpad," zong Mette.
De zon zakte langzaam. De lantaarns gingen aan en smeedden gouden paden. De meisjes werden een beetje moe, maar hun ogen waren nog vol. Ze wilden nog een speciale naam. "We moeten een naam voor de weg naar het plein," zei Noor. "Een naam die naar huis en naar warmte leidt." Ze hielden even elkaars handen steviger vast.
"Thuislichtlaan," zei Mette zacht. "Thuislichtlaan," herhaalden Noor en Fleur. De naam voelde als een deken. Iedereen die de laan liep, zou denken aan warme soep, knusse dekens en een groot kussen op de bank.
Ze tekenden de namen in de sneeuw met een houten stok. Ze maakten grote letters die glommen in het maanlicht. Soms stopten ze om te luisteren. Een uil riep zacht, maar hij klonk niet eng. Hij klonk alleen nieuwsgierig. De meisjes wuifden naar de uil en gingen verder.
Op een pleintje vonden ze een klein beeld van een rendier. Het was bedekt met een sjaal. Iemand had die sjaal daar gelegd. "Rendierpleintje!" riepen de meisjes. Ze staken hun vingers in hun mond en floten. Het klonk als bellen. Het beeld kreeg extra glans onder de maan.
Voor hun laatste taak liepen ze naar het huis van de burgemeester. De burgemeester stond op de stoep met een kop warme chocolademelk. "Wat een mooie avond," zei hij. "Wat zijn jullie aan het doen?" Noor vertelde over de namen. De burgemeester knikte met tranen van blijheid in zijn ogen. "Jullie maken het dorp nog mooier," zei hij. Hij vroeg of hij de namen mocht opschrijven op kleine bordjes. De meisjes vonden het een fijn idee. Ze sprongen van blijdschap.
Samen met de burgemeester plaatsten ze de bordjes de volgende dag. Mensen lachten toen ze de namen zagen. Kinderen renden naar de Koekjeslaan op zoek naar een geur van versgebakken brood. Ouderen wandelden langzaam over de Danswindstraat en herinnerden zich een jeugdige stap. Elke naam bracht een glimlach.
Op kerstavond kwamen de drie meisjes weer naar het plein. De boom was nu voller lichtjes dan ooit. Ze stonden hand in hand en keken naar het dorp. "We deden het," zei Noor zacht. Fleur voelde zich warm van binnen. Mette zuchtte tevreden.
"Ons dorp voelt als thuis," zei Fleur. "Ons dorp is vol licht." De meisjes knikten. De sneeuw viel opnieuw, stiller dan eerst, als een zachte deken over de bordjes met namen. De lichtjes glinsterden. Mensen zongen zacht. Er was warme chocolademelk en koekjes en een gevoel van samen.
Noor, Fleur en Mette liepen langzaam terug naar huis. Hun stapjes waren klein en rustig. Ze wisten dat de straatnamen bleven, net als de lichtjes en de recepten voor koekjes. Ze wisten dat het dorp elke winter een beetje magischer zou worden.
Ze gingen naar bed die avond met volle harten. Buiten fluisterde de wind een blij kerstlied. Binnen droomden de meisjes van sterren, koekjes en dansende lichtjes. De sneeuw bleef vallen en de straatnamen glimlachten in het maanlicht. Alles voelde veilig. Alles voelde warm. Alles voelde als kerst.