Beer Bram zit in het bos. Het bos is groot en groen. Bram is blij. Zijn vriendje, het konijntje Koen, is bij hem. Koen is klein en wit. Samen spelen ze in het gras.
"Koen," zegt Bram. "Wil je samen spelen?"
"Ja!" roept Koen blij. "Laten we rennen!"
Bram en Koen rennen rond. Ze lachen. Maar dan struikelt Koen. Hij valt op de grond. Koen is verdrietig. Zijn pootje doet pijn.
Bram kijkt naar Koen. "Niet huilen, Koen. Ik help jou."
Bram zit naast Koen. Hij aait Koen zachtjes. "Samen zijn we sterk," zegt Bram.
Koen voelt zich beter. "Dank je, Bram," zegt Koen. "Jij bent mijn beste vriend."
Bram glimlacht. "We zijn vrienden voor altijd."
Bram en Koen spelen rustig verder. Ze delen een appel. Ze zijn blij. Het bos is hun thuis. Samen zijn ze gelukkig.
Vriendschap is fijn. Vriendschap is lief. Bram en Koen weten dat. Hun vriendschap is een schat.
En zo eindigt hun dag, vol zonneschijn en lach.