Hoofdstuk 1
Luna en haar vriendjes, Max en Sofie, speelden in de speeltuin. Het was een zonnige dag en ze hadden veel plezier. Ze renden rond en lachten. “Kijk, ik kan heel snel rennen!” zei Max. “Ik kan springen!”, zei Sofie. Luna lachte en zei: “Ik wil ook iets doen!”
Toen zag Luna een nieuw kind. Het was Sam. Sam zat in een rolstoel. Luna keek naar Sam en vroeg: “Wil je met ons spelen?” Sam lachte en zei: “Ja, dat wil ik!” Maar Max en Sofie keken naar Sam en fluisterden: “Hij kan niet rennen zoals wij.”
Hoofdstuk 2
Luna voelde zich een beetje verdrietig. “Maar Sam kan ook spelen!” zei ze. “Hij is onze vriend.” Max en Sofie keken naar Sam. “Maar hoe kan hij dan meedoen?” vroeg Sofie. Luna dacht even na en zei: “Laten we het samen proberen!”
Luna, Max en Sofie bedachten een spel dat iedereen kon spelen. “We kunnen een schattenjacht doen!” zei Luna. “Sam kan de aanwijzingen geven!” Sam glimlachte enthousiast. “Ja, dat kan ik!” zei hij.
De kinderen begonnen met het spel. Sam gaf de aanwijzingen en zei: “Ga naar de grote boom!” De kinderen renden naar de boom en vonden een mooie schat. Het was een doos vol met kleurpotloden. “Kijk, we hebben een schat!” riep Max blij.
Hoofdstuk 3
Na de schattenjacht zaten de kinderen samen op de grond. “Het was leuk om samen te spelen!” zei Sofie. “Ja, Sam, je was geweldig!” zei Luna. Sam voelde zich blij. “Dank jullie! Het was leuk om samen te werken.”
Max en Sofie keken naar Sam en zeiden: “Sorry dat we eerst dachten dat je niet kon spelen. We hebben geleerd dat iedereen uniek is.” Sam knikte. “Ja, en we kunnen altijd samen plezier hebben.”
De kinderen omhelsden elkaar en beloofden om altijd samen te spelen, ongeacht de verschillen. Ze ontdekten dat vriendschap en respect belangrijk zijn. En zo waren ze nu een blij en inclusief groepje vrienden.