Ochtend in de klas
In de peuterklas is het stil en warm. Buiten tikt de regen zacht tegen het raam. Drie jongens van drie zijn er: Sam, Luuk en Amir. Amir zit in een rolstoel die zacht rolt. Juf Noor legt een groot vel papier op een lage tafel. Er staat een doos met kleurpotloden, een lijmstift en stickers.
Ze zeggen gedag op hun eigen manier. Sam zwaait en zegt hoi. Luuk knikt en glimlacht. Amir zegt salaam in zijn taal, heel zacht. Iedereen lacht terug. Het voelt fijn.
Ze willen tekenen. Sam tekent graag snelle auto's. Luuk maakt kleine puntjes en strepen. Amir houdt van lange wegen en bochten. Juf zegt dat ze samen één grote tekening kunnen maken. Een tekening voor iedereen. De jongens vinden dat leuk.
Ze rijden en lopen naar de tafel. De tafel is breed. Het papier ligt in het midden. Amir komt dichterbij. Hij kan er bijna bij. Hij kijkt naar Sam en Luuk. Ze kijken terug en denken even na.
"Zet het papier hier, dan kan ik erbij," zei Amir.
"Goed idee," zei Sam.
Sam en Luuk schuiven het papier naar de rand. Luuk schuift de potloden naar het midden. Er is genoeg plek. Iedereen heeft een stukje, en toch is het één groot vel.
Samen een plan
Sam pakt een blauw potlood.
"Ik wil de blauwe," zei Sam.
"Ik ook," zei Luuk.
"We doen om de beurt," zei Amir rustig.
"Ik tel tot drie adem," zei Luuk.
Ze ademen samen in en uit. Een. Twee. Drie. Sam tekent een auto in blauw, en geeft dan het potlood aan Luuk. Om de beurt. Om de beurt. Het voelt eerlijk en rustig.
Luuk zet kleine blauwe puntjes als regendruppels. Amir tekent een lange weg. De weg gaat om de auto heen, langs de druppels, met bochten. Sam pakt geel voor een grote zon. Luuk kiest groen voor gras. Amir kiest rood voor een vrolijk huisje. Ze schuiven een beetje, maken plaats met stoelen en wielen, en niemand duwt. Er is ruimte voor iedereen.
Sam en Luuk reiken tegelijk naar een ster-sticker.
"Mag ik die ster-sticker?" vroeg Luuk.
"Ja, en daarna ik," zei Sam.
Luuk plakt de ster boven de zon. Sam plakt de volgende bij het huisje. Amir legt de lijmstift terug in het midden, zodat iedereen erbij kan. Hij tekent een brug over de weg, en laat de lijn zacht langs het stuk van Luuk lopen. De tekeningen raken elkaar. Ze passen samen, stapje voor stapje, kleur bij kleur. Soms denkt iemand: ik wil het zo. De ander denkt: ik wil het anders. Ze zeggen zacht: ik wacht even. En dan is er weer plek.
Einde van de dag
Het vel is vol en vrolijk. Grote vormen en kleine puntjes. Wegen, een auto, een huis, sterren en gras. Iedereen ziet iets van zichzelf, en ook iets van de ander. Dat is mooi.
Juf Noor komt kijken. Ze knikt en glimlacht. Ze zegt dat ze goed hebben gedeeld. Ze vraagt waar de tekening mag hangen. De jongens kiezen een lage plek aan de muur, zodat iedereen het ziet en er dichtbij kan staan. Samen plakken ze het vast. Er blijft onderaan nog een wit hoekje. Dat bewaren ze voor morgen. Samen is er altijd nog een beetje plek.
Ze ruimen rustig op. Potloden in de doos. Stickers in het bakje. Lijm dicht. Stoelen en wielen terug naast de tafel. Hun handen zijn kleurig, hun ogen blij. Ze voelen zich trots en kalm.
"Salaam," zei Amir blij, en hij zwaaide.
De regen tikt weer zacht. De klas is rustig. Drie jongens ademen diep in en uit. Morgen delen ze weer de tafel, de kleuren en de ruimte. En ze weten: anders is goed, en samen is fijn.