Hoofdstuk 1: De Magische Rugzak
Tijn is vijf jaar oud. Hij draagt altijd zijn lievelingsrugzak: blauw met gele sterren. Vandaag is een gewone dag. Tijn helpt zijn moeder de schoenen neer te zetten bij de deur. Hij lacht om de grote laarzen van papa en de kleine roze schoentjes van zusje Lotte.
“Tijn, wil je de oude sjaal in je rugzak stoppen?” vraagt mama.
“Natuurlijk, mama!” zegt Tijn vrolijk.
Wanneer Tijn de sjaal in zijn rugzak stopt, voelt hij iets kriebelen. Hij kijkt om zich heen. Alles lijkt gewoon. Maar als hij de rits dichtdoet, hoort hij een vreemd gezoem. Het klinkt als duizend bijtjes die dansen.
Plotseling draait alles om hem heen: de gang, de schoenen, zelfs de muur! Tijn knijpt zijn ogen dicht. Als hij weer durft te kijken, staat hij op een heel ander plek.
Hoofdstuk 2: Het Tijdperron
Tijn kijkt verbaasd om zich heen. Hij staat op een groot perron. Het lijkt een station, maar er staan geen treinen. In plaats daarvan zijn er glinsterende poorten, elk met een andere grote klok erboven. Op de klok naast hem staat: “Jaar 1920”.
Er lopen vreemde mensen rond in grappige kleren. Een mevrouw draagt een hoed met een veer, een meneer heeft een lange jas en hoge laarzen. Naast hem zit een meisje met vlechten op een bankje. Ze leest een boek.
Tijn pakt zijn rugzak stevig vast. “Waar ben ik?” fluistert hij.
Het meisje kijkt op en lacht. “Je bent op het Tijdperron! Hier kun je naar elk jaar reizen. Wie ben jij?”
“Ik heet Tijn,” zegt hij zacht. “En jij?”
“Ik ben Noor. Ik wacht op mijn opa. Hij komt uit het jaar 2050. Kom je met mij mee kijken?”
Tijn knikt. “Maar hoe kom ik hier eigenlijk weer weg?”
Noor glimlacht. “Maak je geen zorgen. Op het Tijdperron vindt iedereen altijd de weg terug. Maar eerst, wil je iets bijzonders zien?”
Hoofdstuk 3: Rariteiten en Raadsels
Noor en Tijn lopen samen langs de poorten. Bij elke poort is het anders. Achter de poort van 1920 rijden paarden en wagens. Bij 2050 zien ze mensen op zwevende fietsen. Tijns ogen worden groot.
“Mag ik ook door een poort?” vraagt hij.
“Ja hoor!” zegt Noor. “Maar let op: je mag niets meenemen uit een andere tijd. En je mag niemand vertellen wat je gezien hebt, behalve mij.”
Tijn kijkt naar zijn rugzak. “Mag mijn rugzak wel mee?”
Noor knikt. “Je rugzak hoort bij jou. Maar doe hem goed dicht!”
Samen kiezen ze de poort van 2050. Alles is daar anders. De lucht is vol kleuren, de huizen zijn rond en er zijn robotjes die limonade schenken.
“Wow!” roept Tijn. “Zo mooi!”
Een klein robotje zoeft naar hem toe. Het maakt een piepend geluid. “Welkom, reiziger! Wil je limonade?”
Tijn lacht. “Graag!” De limonade smaakt naar aardbeien, maar ook een beetje naar sterren.
Ineens komt er een man aanlopen. Hij draagt een bril die licht geeft. Noor springt op. “Opa!” roept ze.
De opa lacht. “Noor, wie is je vriendje?”
“Dit is Tijn. Hij is voor het eerst op het Tijdperron!”
De opa knielt bij Tijn. “Weet je wat het mooiste is aan tijdreizen?” fluistert hij. “Je ontdekt dat herinneringen belangrijk zijn. Wat je nu meemaakt, neem je altijd mee. In je hoofd en in je hart!”
Tijn knikt. “Ik ga alles onthouden.”
Hoofdstuk 4: Terug naar Nu
Noor en haar opa lopen met Tijn terug naar het Tijdperron. “Wil je nog één tijd zien?” vraagt Noor.
Tijn denkt even na. “Mag ik naar de tijd toen mijn mama klein was?”
Noor glimlacht. “Dat kan! Kijk, daar is de poort van 1990.”
Ze lopen door de poort. Alles ziet er ouderwets uit: de auto's zijn groot en vierkant, kinderen spelen tikkertje op straat. Tijn ziet een meisje die op mama lijkt.
“Is dat… mijn mama?” fluistert hij.
Noor knikt. “Misschien. Je mag haar alleen van veraf zien.”
Tijn kijkt goed. Het meisje lacht precies zoals zijn moeder lacht. Ze springt touwtje en zingt een vrolijk liedje. Tijn voelt zich blij en een beetje trots.
Hij schrijft in zijn denkbeeldige dagboek: “Lieve mama, ik heb je gezien toen je klein was. Je was vrolijk en dapper. Net als ik!”
Dan begint zijn rugzak weer te trillen. Het gezoem klinkt weer. Noor pakt zijn hand.
“Tijd om naar huis te gaan, Tijn. Bedankt voor het avontuur!”
“Jullie ook bedankt!” zegt Tijn.
De wereld draait om hem heen. Alles wordt licht. Tijn sluit zijn ogen.
Hoofdstuk 5: Herinneringen bij de Deur
Als Tijn zijn ogen weer open doet, staat hij weer in de gang. De schoenen staan netjes naast elkaar. Zijn rugzak ligt bij de deur. Tijn kijkt erin. De oude sjaal zit er nog. Maar er zit ook een briefje in.
Op het briefje staat: “Herinner je wat je hebt gezien. Vertel het door met een glimlach. Het leukste avontuur is het onthouden van mooie dingen.”
Tijn lacht. Hij pakt zijn rugzak en zet hem netjes bij de deur. Dan rent hij naar de woonkamer, waar mama zit.
“Mama, zal ik je helpen met de foto's inplakken?” vraagt hij vrolijk.
Mama knikt. “Wat lief van je, Tijn! Samen maken we nieuwe herinneringen.”
Tijn kijkt nog één keer naar zijn rugzak. Hij weet nu: herinneringen reizen altijd met je mee. Ook als je weer thuis bent.
En bij de deur ligt zijn rugzak, helemaal klaar voor het volgende avontuur.