In de stad Zoemdam rolde een tram langs hoge flats. Fietsen rinkelden. Een hondje snuffelde aan een paaltje. En daar, op een dak, stond heldin Lila in een rode cape en gele laarzen.
Lila heette Super-Slapstick. Haar superkracht? Ze kon alles laten “POEF!”-en… maar dan op een grappige manier. Een beetje per ongeluk. Heel vaak expres.
Ze oefende haar veilige stunts. “Kijk, ik kan supersnel stappen!” zei ze. Ze deed één stap. “ZWIEP!” Haar cape draaide als een waaier. Een duif klapte verbaasd met zijn vleugels. “Prrrt!” Lila lachte. “Goed zo, cape. Jij kan ook dansen.”
Beneden bij het plein stond Oma Noor met een mand vol broodjes. Ze wilde naar de bank lopen, maar—OHO!—de broodjes stuiterden uit de mand. “BOP-BOP-BOP!” Over de stoep. Richting fontein.
Kinderen riepen: “Broodjes op hol!”
Lila sprong omlaag. “TA-DA! Super-Slapstick komt eraan!” Ze landde zacht op haar knieën. “PLOF.” Niet hard. Meer… puddingachtig.
Ze keek naar de broodjes. “Oké, Lila,” fluisterde ze. “Jij kan dit. Rustig. Jij bent een held.”
Ze stak haar handen uit. “Super-Plakhanden!”
“PLOK!” Haar handen werden plakkerig als pannenkoekstroop. Ze pakte één broodje. “PLOK!” Nog één. “PLOK!” Nog één.
Maar toen—SNEE!—haar plakkerige vingers plakten ook aan elkaar. Lila stond vast met haar eigen handen. Ze keek naar iedereen. “Ehm… dit was niet de bedoeling.”
De kinderen giechelden, maar lief. Oma Noor zei: “Ach meisje, wat een knappe poging!”
Lila knikte. “Ik probeer het opnieuw. Ik kan leren.” Ze ademde in. “In… uit… in… uit…”
“Super-Zeepbel!” riep ze.
“PLOP!” Een grote zeepbel kwam uit haar mond, als een glimmende ballon. De bel tikte tegen haar handen. “FIEUW!” En… los! Haar handen waren weer vrij.
“Ja!” riep Lila. “Zie je wel! Ik kan het!”
Ze blies nog drie bellen. “PLOP! PLOP! PLOP!” De bellen rolden over de stoep en duwden de broodjes zachtjes terug, als kleine glimmende wagentjes.
“BUP-bup-bup,” deden de broodjes, netjes in een rij.
Mensen klapten. “TA-DA!” riep Lila en maakte een buiging.
Oma Noor gaf haar een broodje. “Voor de heldin.”
Lila nam een hap. “Mmm. Superlekker.” Ze keek naar haar cape. “We gaan vaker oefenen, hè?”
De cape fladderde. “ZWIEP!”
En Zoemdam zoemde blij verder, rustig en vrolijk, met een heldin die wist: ik kan het.