In de moderne stad Flitsdam stonden de gebouwen rechtop als grote tanden van glas. Auto's zoefden “VROEM!” voorbij. Fietsbellen deden “TRING-TRING!” En op het plein bij de fontein zat een jonge man op een bankje met een cape die net iets te lang was.
Hij heette Jip. Superheldennaam: Kapitein KomtGoed. Want Jip had een rare superkracht: hij kon, met één diepe adem, een enorme banderole uitrollen waarop stond: “ALLES KOMT GOED!” Hij droeg hem altijd opgerold in een rugzak. Het was zijn geheime wapen. Een beetje zoals een toverstaf, maar dan van stof.
Jip knipoogde naar een duif. “Vandaag wordt rustig,” zei hij.
De duif deed “KROE-KROE” en keek alsof hij dat niet helemaal geloofde.
Precies op dat moment ging er iets mis. Niet eng, hoor. Gewoon… raar.
Bij de bakker op de hoek sprong de slagroomspuit zó enthousiast dat alle taartjes ineens witte snorren kregen. “PSSST! PFOEF! PSSST!” De bakker stond vol klodders en riep: “Wie heeft mijn slagroom wakker gekieteld?”
En alsof dat nog niet genoeg was, begon de grote digitale reclamebord boven de straat te knipperen. Eerst stond er: “SALE!” Toen: “SA…,” en toen alleen nog: “S” met een kleine hik: “BIEP… BIEP… BIEP…”
Mensen stopten. Een kind wees. “Mama, de letters hebben de hik!”
Jip sprong op. Zijn cape bleef even hangen aan het bankje. “Hup!” zei hij, en hij trok. “RITS!” De cape kwam los, maar zijn sok kwam mee. Oeps.
Hij deed alsof het er bij hoorde. “Superheldenstijl,” mompelde hij, terwijl hij snel zijn sok weer goed trok.
“Kapitein KomtGoed!” riep een mevrouw met een boodschappentas. “Er is taart-paniek!”
“Taart-paniek is mijn specialiteit,” zei Jip. “TA-DA!”
Hij rende naar de bakker. “Wat gebeurt er?”
De bakker zuchtte. “De slagroom is… te blij.”
“Dat kan,” knikte Jip serieus, alsof hij met slagroom praatte op maandag.
Hij zette zijn handen in zijn zij. “Rustig, slagroom. Adem in… adem uit.”
De slagroomspuit deed: “PFOEF!” en spoot een wolk recht op Jips neus.
Jip keek even scheel. Op zijn neus zat een slagroombol. Hij likte een klein beetje. “Hm. Optimisme met vanille.”
De mensen lachten. “Hihi!”
Maar toen kwam het volgende onverwachte ding. Bij de fontein begon het water niet omhoog, maar zijwaarts te spuiten. “SJJJOOO!” Een dunne straal tikte precies tegen het reclamebord aan. “PLOK!” En daardoor knipperde het bord nóg harder: “BIEP-BIEP-BIEP!”
Een jongen riep: “Het bord krijgt kietels van de fontein!”
Jip wreef over zijn kin. “Oké. Drie kleine problemen. Blije slagroom. Scheve fontein. Hik-letterbord.”
Hij opende zijn rugzak. Daar zat zijn banderole. Opgerold, netjes, klaar voor actie.
Maar toen hij eraan trok, gebeurde er iets extra's: er kwam ook een hele rij kleine, piepende wasknijpers mee. “PIEP-PIEP-PIEP!” Ze zaten aan de banderole vast, alsof ze mee wilden helpen.
“Ehm… hallo,” zei Jip tegen de wasknijpers. “Jullie zijn heel… enthousiast.”
De wasknijpers piepten terug, alsof ze zeiden: “Wij ook superheld!”
Jip glimlachte. “Goed. Dan doen we het samen.”
Hij keek naar de mensen. “Iedereen, geen zorgen. Ik heb een plan. Een zacht plan. Met stof.”
Hij rende naar twee lantaarnpalen, precies naast de bakker en tegenover de fontein. “Hier komt het!”
Hij gooide de banderole omhoog. “FWOESJ!” De stof rolde uit als een lange, vrolijke slang. De wasknijpers sprongen erachteraan. “PIEP! KLIK! KLIK!” Ze hapten de banderole vast aan de lantaarnpaal alsof het hun favoriete snack was.
Daar hing het: groot, wit, met dikke letters: “ALLES KOMT GOED!”
Mensen lazen het hardop. “Alles komt goed.” Nog eens. “Alles komt goed.”
Het was alsof de woorden de lucht een beetje zachter maakten.
De fontein spoot nog steeds zijwaarts. “SJJJOOO!”
“Oké,” zei Jip. “Fountain, jij wil blijkbaar naar links. Maar we gaan naar boven, ja?”
Hij stapte rustig naar de fonteinrand en zag een klein rubberen eendje in een hoekje klem zitten. Het eendje zat scheef, en daardoor duwde het water ook scheef.
Jip pakte het eendje voorzichtig op. “Aha. Jij bent de fontein-baas.”
Het eendje deed “KWAK!” heel trots.
Jip zette het eendje netjes in het midden. “Zo. Recht.”
De fontein zei: “PLOEP!” en spoot weer omhoog. “SJJJ!” Netjes, als een water-spriet.
De mensen klapten. “Klap-klap!”
Het reclamebord stopte met hikken en knipperde blij: “SALE!” zonder hik. “BIEP… nee… oké!”
Nu de slagroom nog.
De bakker hield de spuit vast alsof het een wilde slang was. “Hij luistert niet!”
Jip keek naar de banderole. De woorden “ALLES KOMT GOED!” wapperden zachtjes. Wapper-wapper.
“Wat als…” zei Jip, “we de slagroom een taak geven?”
Hij wees naar de taartjes. “Slagroom, jij mag snorren maken. Maar alleen kleine snorren. Hele nette snorren.”
De bakker knikte en hield de spuit boven een taartje. “Voorzichtig…”
“PSSST,” deed de spuit. Een klein rozetje. Perfect.
“Zie je wel,” zei Jip. “Blij is oké. Te blij is plakkerig.”
Iedereen lachte weer. “Hahaha!”
Een klein meisje keek omhoog naar de banderole. “Meneer Kapitein, komt het echt goed?”
Jip bukte zodat hij op ooghoogte was. “Ja,” zei hij zacht. “Want als er iets gek doet, dan kijken we. Dan helpen we. En dan lachen we een beetje. En dan—”
“TA-DA!” riepen de mensen, alsof het een toverwoord was.
Jip deed een kleine buiging. Zijn cape zwaaide en raakte bijna de slagroom. Hij stapte net op tijd opzij. “Oef. Superhelden hebben ook bijna-ongelukken.”
De duif van het plein landde naast hem en knikte alsof hij eindelijk overtuigd was. “KROE,” zei hij. Dat klonk als: “Goed gedaan.”
De stad ging weer verder. Auto's: “VROEM!” Fietsen: “TRING!” De fontein: “SJJJ!” En boven de straat wapperde de banderole rustig in de zon.
Jip ging terug naar zijn bankje en rolde zijn sokken nog even recht. Hij keek naar de mensen die glimlachend voorbij liepen.
“Alles komt goed,” zei hij nog een keer, gewoon voor zichzelf.
En Flitsdam leek het helemaal met hem eens.