De donkere bosrand
Lang, lang geleden, aan de rand van een donker bos, woonde een klein jongetje. Hij heette Sam. Sam was vier jaar oud en hij hield van wandelen in het bos. Soms leek het bos net een dik, groen tapijt, vol geheimen en zachte schaduwen. De bomen fluisterden zachtjes als de wind door hun bladeren gleed.
Op een dag liep Sam samen met zijn vriendje Max, de eekhoorn, door het bos. Ze zochten mooie eikels en sprongen over de wortels. Opeens hoorden ze een vreemd geluid. Het klonk als een diepe brom, donker en laag. "Wat is dat?" fluisterde Sam. Max spitste zijn oren. "Misschien is het de grote boze wolf," piepte hij.
Sam kneep in Max' pootje. De schaduw van een grote wolf schoof langzaam tussen de stammen. Zijn ogen glansden als twee kleine maantjes in de schemer.
Het plan van Sam en Max
Sam voelde zijn hartje kloppen als een trommel. Maar hij dacht aan wat mama altijd zei: "Samen ben je sterk." Dus keek hij Max aan en zei zacht: "We moeten samen blijven. De wolf houdt niet van kinderen die rustig blijven."
Ze pakten elkaars hand vast. De wolf kwam dichterbij, zijn staart als een donkere borstel, zijn poten zacht als kussentjes op het mos. "Waarom zijn jullie niet bang?" bromde de wolf. "Ik ben de grote boze wolf!"
Sam keek de wolf aan. Zijn stem was klein, maar stevig. "Wij zijn samen. Wij helpen elkaar. Wij zijn niet bang als we samen zijn." Max knikte en piepte: "Wij horen bij elkaar."
De wolf blies zachtjes, als de wind in de herfst. Maar Sam en Max bleven staan, hand in hand, stil en rustig.
De terugkeer naar huis
De wolf keek nog eens, zijn ogen groot en rond. Toen draaide hij zich om en verdween tussen de bomen, als een schaduw in de nacht.
Sam en Max keken elkaar aan. Ze lachten zachtjes. De zon scheen weer door de bladeren. De bomen fluisterden weer vriendelijk. "Zie je," zei Sam, "samen zijn we niet bang."
Samen liepen ze terug naar huis, over het zachte mos, langs de hoge bomen. Thuis wachtte mama al. Ze gaf Sam een warme knuffel. "Goed gedaan, Sam," zei ze. "Samen zijn we sterk."
Die avond lag Sam in zijn bed, onder zijn zachte deken. Hij dacht aan het bos, aan Max en aan de wolf. Hij voelde zich veilig en warm. Buiten zongen de krekels hun slaapliedje. Sam glimlachte en viel rustig in slaap, want hij wist: samen ben je nooit alleen.