Begin
In het donkere bos, waar de bomen fluisteren als zachte gordijnen, woonde Beer. Beer had een warm huisje met een rood dak, als een appel in het mos. Elke avond zei hij hetzelfde: “Ik ben Beer. Ik ben sterk. Ik kan het weer.” En dan werd zijn hart rustig, als een steen in een stille vijver.
Op een mistige ochtend klopte er iemand op de deur. Klop, klop, klop.
Beer deed open. Daar stond de Grote Boze Wolf. Zijn ogen glansden als twee natte knopen.
“Goede dag,” zei Wolf heel zoet. “Ik ben verdwaald. Mag ik een kopje thee?”
Beer keek naar Wolfs lange snuit. Hij voelde een klein bibbertje in zijn buik, maar hij bleef staan, stevig als een boom.
“Een kopje thee kan,” zei Beer. “Maar bij mij praten we eerlijk.”
Midden
Wolf ging zitten. Hij glimlachte. “Ik ben een schaap,” zei hij.
Beer keek naar Wolfs scherpe tanden. “Een schaap heeft geen zulke tanden,” zei Beer zacht.
Wolf knipperde snel. “Dan… dan ben ik een hond,” zei hij.
Beer roerde in de thee. De lepel maakte kringetjes, alsof hij zei: blijf rustig, blijf rustig.
“Een hond blaft,” zei Beer. “Jij praat met een wolvenstem.”
Wolf wiebelde op de stoel. “Ik… ik ben de bakker,” fluisterde hij.
Beer rook aan de lucht. Hij rook geen brood. Alleen bos, nat blad en een vleugje leugen.
Beer zei weer, net als altijd: “Ik ben Beer. Ik ben sterk. Ik kan het weer.”
Wolf wilde groot lijken, maar zijn woorden werden een knoop. Elke leugen trok strakker. Hij raakte verstrikt, alsof hij in een bramenstruik was gaan zitten.
“Waarom lieg je?” vroeg Beer. Zijn stem was laag en warm, als een deken.
Wolf zuchtte. De zucht viel op de vloer als een grijze veer. “Ik wilde dat jij bang werd,” zei hij. “Dan kon ik winnen.”
Beer keek naar Wolf en voelde geen boosheid. Alleen iets stevigs vanbinnen.
“Bang zijn mag,” zei Beer. “Maar ik blijf toch staan. Dat is dapper.”
Einde
Wolf keek naar zijn poten. “Ik kan niet meer uit mijn knoop,” piepte hij.
Beer schoof dichterbij. Hij pakte een zachte borstel en haalde voorzichtig de bramen uit Wolfs vacht, één voor één. Langzaam werd Wolf weer vrij.
“Dank je,” zei Wolf klein.
“Volgende keer,” zei Beer, “zeg je gewoon wie je bent.”
Wolf knikte. “Ik ben Wolf,” zei hij. “En ik wil leren eerlijk te zijn.”
Buiten werd de mist lichter. Het bos fluisterde zachter. Beer schonk nog een beetje thee in.
En toen herhaalde Beer, rustig en blij: “Ik ben Beer. Ik ben sterk. Ik kan het weer.”
Wolf luisterde. Zijn ogen werden minder scherp.
Zo viel de avond als een zachte kap over het huisje, en alles werd stil en veilig.