Lars is drie jaar oud. Lars houdt van voetbal. Hij speelt graag met zijn bal. Zijn beste vriend is Mila. Mila houdt ook van voetbal. Ze lachen samen. Ze rennen samen op het gras.
"Lars, laten we spelen!" zegt Mila.
"Ja, leuk!" zegt Lars. Ze schoppen de bal naar elkaar toe. De zon schijnt. Het gras is groen. De lucht is blauw. Alles is fijn.
Maar op een dag is Lars verdrietig. "Ik wil niet spelen," zegt Lars. Mila kijkt verbaasd. "Waarom niet, Lars?" vraagt Mila.
"Ik ben moe," zegt Lars. "De bal wil niet schoppen."
Mila denkt na. "Laten we plezier maken," zegt Mila. Ze pakt Lars' hand. "Samen zijn we sterk." Lars glimlacht een beetje. Samen rennen ze naar het veld.
"Kom op, Lars," zegt Mila, "Schop de bal!" Lars kijkt naar de bal. Hij denkt aan plezier. Hij denkt aan Mila. Hij schopt de bal. De bal rolt ver weg. Lars lacht. Mila lacht ook. "Goed gedaan, Lars!" roept Mila.
"Ik kan het!" zegt Lars blij. "Voetbal is leuk!"
Mila en Lars spelen samen verder. Ze rennen, ze springen en ze lachen. De bal gaat heen en weer. Ze maken nieuwe vrienden. Andere kinderen komen ook spelen. "Mag ik meedoen?" vraagt een jongen. "Ja, kom erbij!" roept Lars.
Samen spelen ze. Samen lachen ze. Ze helpen elkaar. Lars is blij. Mila is blij. Iedereen is blij. Voetbal is voor samen. Voetbal is voor plezier.
"Bedankt, Mila," zegt Lars. "Dankzij jou is het weer leuk." Mila knikt. "Samen is alles leuker," zegt ze.
En zo spelen ze verder, dag na dag. Met vrienden, met plezier en met een bal. Want samen spelen is het allerleukst.