Begin
Er was eens een prinses. Ze heette Prinses Lila. Ze woonde in een glanzend kasteel in een betoverd koninkrijk. De torens leken op slagroomtoefjes, zo wit en rond.
Prinses Lila had een heel klein tasje. In dat tasje zaten… stickers. Op elke sticker stond: “HIER”.
“Hihi,” zei Lila. “Ik plak ‘HIER' hier.”
Ze plakte een sticker op haar kroon. “HIER.”
Ze plakte een sticker op haar schoen. “HIER.”
Ze plakte een sticker op een appel. “HIER.”
De appel leek nu extra belangrijk.
In de tuin stond een fontein die bubbels blies in plaats van water. Plop-plop-plop. Een kikker met een strik zat erbij.
“Dag, prinses,” zei de kikker.
“Dag, Knikker,” zei Lila. “Zal ik jou ook ‘HIER' geven?”
“Graag!” zei Knikker.
Plak! “HIER” op de strik.
Knikker keek scheel naar de sticker. “Ik ben nu officieel hier,” zei hij trots.
Midden
Die dag kwam er een brief. Niet met een postduif, maar met een postvlinder. Fladder-fladder.
De brief zei: “In het Bos van Giechelbladeren is de Wegwijzer in de war. Iedereen loopt rondjes. Help!”
“Avontuur!” riep Prinses Lila. “Knikker, ga je mee?”
“Kwaak-ja,” zei Knikker. “Maar niet te snel. Mijn pootjes zijn kort.”
Ze liepen over een brug van snoepstokken. De wind rook naar vanille. In het bos lagen bladeren die kietelden als je erop stapte.
“Hatsjie-haha,” lachte Lila, want haar voeten werden gekieteld.
“Hatsjie-kwaak,” lachte Knikker ook. Hij viel bijna om van het lachen.
Daar stond de Wegwijzer. Hij had drie pijlen, maar ze draaiden rond als een tol.
“Links… rechts… pannenkoek!” riep de Wegwijzer. “O nee. Ik bedoel… soep!”
Een klein elfje, met een mutsje zo rood als een kers, trok aan Lila's mouw.
“Iedereen zegt: ‘Waar is hier?'” piepte het elfje. “En de Wegwijzer weet het niet meer.”
Prinses Lila tikte op haar tasje. “Ik heb iets. Ik heb ‘HIER'.”
Ze haalde een sticker eruit. Hij glom een beetje, alsof hij lachte.
Ze plakte “HIER” op de paal van de Wegwijzer.
Plak.
Even werd het stil. Toen zei de Wegwijzer heel netjes: “Aha. HIER is hier.”
De pijlen stopten met tollen. Ze wezen rustig.
“Bos-paad,” zei de eerste pijl.
“Bloemen-veld,” zei de tweede pijl.
“Terug-naar-huis,” zei de derde pijl.
Het elfje klapte in haar handjes. “Jij bent slim, prinses!”
Knikker kuchte belangrijk. “En ik ben hier ook,” zei hij, en wees op zijn strik.
Maar toen… oeps.
De sticker-rol in Lila's tasje rolde weg. Rrrrrol! Hij rolde een heuveltje af, recht in een modderplas.
“Mijn stickers!” riep Lila zacht.
Knikker sprong. Plons. “Ik haal hem!” zei hij.
Het elfje strooide een beetje glinsterstof. “Droog en vrolijk!” piepte ze.
Pof! De modder werd een schone chocoladevla-plek. Het rook lekker.
Knikker kwam terug met de rol. “Tadaa. Hier!” zei hij.
Lila knuffelde hem. “Dank je, vriend.”
Einde
Samen plakten ze één sticker op een grote steen bij het pad.
“Voor iedereen,” zei Lila. “Als je twijfelt: hier is hier.”
Op de terugweg zongen de giechelbladeren zacht mee: rits-rits-lach.
In het kasteel dronken ze warme melk met honing. De fontein blies rustige bubbels.
“Vandaag was grappig,” zei Lila.
“En we waren samen,” zei Knikker.
“Dat is het beste,” zei Lila.
Ze plakte nog één sticker op haar hart. Heel voorzichtig.
“HIER,” fluisterde ze. “Bij mijn vrienden.”