De zon kroop over de zachte wei.
Pim het Paard schudde zijn manen.
Hij snoof de frisse lucht.
Zijn neus wiebelde.
Hij keek naar de grote eik.
Onder de eik lag een breed blad.
Het blad glansde nog van dauw.
Pim tikte met een stokje.
Hij glimlachte breed.
"Vandaag maak ik een wensenlijst," zei Pim.
Zijn ogen glommen.
Hij trok lijnen in de zachte modder.
Hij schreef met het stokje.
Het ging krassend en grappig.
"Een lijst vol leuke dingen," zei hij.
Kaat de Koe kwam erbij.
"Wat doe je, Pim?" vroeg Kaat.
"Ik maak een lijst," zei Pim.
"Mag ik mee wensen?" vroeg Kaat.
"Je mag me helpen," zei Pim blij.
Gus de Gans waggelde aan.
"Kwaak, ik hoor lijst!" riep Gus.
"Niet kwaak, maar quack, eh… ik bedoel gans," lachte Pim.
"Ik heb een welbekende snavel," zei Gus trots.
Ze giechelden samen.
Wip de Kip hipte rond.
"Is er iets om op te pikken?" vroeg Wip.
"Woorden," zei Pim.
"Woorden kan ik niet pikken," zei Wip.
"Maar ik kan wel kakelen."
Snuf het Varken rolde uit de modder.
"Ik ruik plezier," zei Snuf.
"Dat staat bovenaan," zei Pim.
"Plezier, allemaal."
Pim las hardop.
"Nummer één: bellen."
"Bel-len," herhaalde Kaat.
Kaat rende weg en kwam terug met klokjes.
Kleine belletjes hingen om haar nek.
"Bel-len!" boeide Kaat.
Ding-dong-ding-dong.
Pim huppelde ernaast.
Zijn hoeven gingen klok-klok bij de belletjes.
Alles rinkelde.
Gus flapte zijn vleugels.
"Dit zijn ook bellen!" riep hij.
Ding-dong en plons-plons mengden.
Pim zette een vinkje in de modder.
"Afgevinkt," zei hij trots.
"Nummer twee," las Pim.
"Een regenboog op mijn rug."
"Regen is nat," zei Snuf.
"Boos wordt niemand," zei Kaat.
"Ik maak spetters," riep Gus.
Gus schepte water uit de sloot met zijn snavel.
Hij spoot een mistboog in de zon.
Wip hield een blad als waaier.
De zon kroop door de druppels.
Kleur sprong.
Rood, oranje, geel, groen, blauw, paars.
"Kijk!" riep Kaat.
Een kleine boog gleed over Pim zijn vacht.
"Kriebelt als licht," zei Pim blij.
Hij schudde en de boog hupste mee.
Weer een vinkje.
"Nummer drie," las Pim.
"Een wiebelhoed."
"Dat kan ik," zei Wip.
Wip pikte stengels en bloemen.
Kaat legde er klaver op.
Gus zette de hoed op Pim zijn hoofd.
De hoed wiebelde en wapperde.
Pim knikte.
De hoed zei: wiebel-wiebel.
Iedereen lachte.
De hoed tikte Pim op de oren.
"Hoeden groeten," zei Pim.
Vinkje.
"Nummer vier," las Pim.
"Ploppende schoenen."
"Hoefjes hebben geen veters," zei Snuf.
"Maar wel bloemen," zei Kaat.
Ze duwde pompoenbloemen op Pim zijn hoeven.
Pim stapte.
Plop.
Plop.
Plop-plop.
"Plopparade!" riep Gus en marcheerde mee.
De wei klonk als warme soep.
Pim glunderde.
Vinkje.
"Nummer vijf," las Pim.
"Een kussen van mos."
"Ik hoorde kus," zei Miep de Muis, die net kwam kijken.
Miep gaf Pim een kleine neus-kus.
Pim bloosde onder zijn vacht.
"Ook goed," zei hij zacht.
Kaat en Snuf propten zacht mos op een boomstronk.
Pim legde zijn kin erop.
"Zacht als wolk," zuchtte hij.
Vinkje met een piepklein hartje.
"Nummer zes," las Pim.
"Een staart die kan schilderen."
"Staarten zwiepen," zei Gus.
"Maar we kunnen verven met bessen," zei Wip.
Ze kneusde blauwe besjes op een blad.
Pim doopte zijn staartpunt in het sap.
Hij zwaaide langs de lucht.
Blauwe stipjes sprongen op een steen.
"Dat lijkt op sterren," zei Kaat.
Pim draaide rond.
Zijn staart maakte krullen.
"Ik schilder wind," zei hij.
Vinkje met een krul.
"Nummer zeven," las Pim.
"Een hapje wolkenpluis."
"Geen echte wolk," zei Snuf.
"Maar paardenbloempluis!"
Overal stonden witte bolletjes.
Gus blies zacht.
Pluisjes dwarrelden.
Pim stak zijn tong uit.
Een pluisje kietelde zijn lip.
Hij lachte.
"Het smaakt naar lente," zei hij.
Vinkje, licht als lucht.
"Nummer acht," las Pim.
"Dansmuziek."
"Ik kan boem," zei Snuf.
Snuf trommelde op een boomstam.
Kaat boe-de op de tel.
Gus klapperde ritme.
Wip kakelde snel en hoog.
Pim telde: één, twee, drie.
Hij danste op het gras.
Zijn manen sprongen.
Zijn bloemenhoeven plopten mee.
Ze dansten tot hun buiken wiebelden van lachen.
Vinkje met twee wiebels.
Pim keek naar zijn lijst.
Er waren moddervinkjes, krullen en hartjes.
Er was nog ruimte.
Hij tikte met het stokje.
"Nog één wens," zei hij zacht.
Iedereen zweeg even.
De wei luisterde mee.
Een merel floot.
De zon wiegde op de bladeren.
Pim glimlachte.
"Nummer negen: lachen met vrienden."
Kaat boe-de lief.
Gus zei "honk" zonder reden.
Wip maakte een pirouette en viel zacht in het gras.
Snuf niesde modder en kreeg een modder-snor.
Pim keek naar hun neuzen, oren en staarten.
Alles wiebelde.
Hij schaterde.
Zij ook.
De eik leek mee te glimlachen.
Vinkje, groot en vrolijk.
Pim rolde zijn lijst dicht.
Hij legde het blad onder de eik.
De wiebelhoed lag naast hem.
De belletjes klingelden nog heel zacht.
Kaat ging liggen.
Gus vouwde zijn vleugels.
Wip kroop dicht bij het moskussen.
Snuf snoof tevreden.
"Vandaag was leuk," zei Pim.
"Vandaag plopte," zei Kaat.
"Vandaag kleurde," zei Gus.
"Vandaag kakelde," zei Wip.
"Vandaag boemde," zei Snuf.
Pim sloot zijn ogen.
"Vandaag lachte," fluisterde hij.
De wind streek langs de wei.
De lijst lag veilig en stil.
Morgen zou er weer zon zijn.
Misschien kwam er een nieuwe wens.
Misschien alleen een nieuwe giechel.
Dat was ook goed.