Op een zachte ochtend liep Stekel het egeltje door het bos. Hij had zijn kleine rugzakje op. In het tasje zat een spiegeltje en een gekke telefoon van hout. Stekel hield van lachen. Stekel hield van gekke gezichten.
"Vandaag maak ik een selfie," zei Stekel. Hij zette het spiegeltje recht en deed zijn neusjes omhoog. Hij trok een heel rare bek. Zijn ogen werden groot. Zijn tong plakte bijna aan zijn snuit. "Kiekeboe!" riep hij.
Net op dat moment kwam Mol langs, met modder op zijn snor. Mol stapte bijna op Stekel zijn tenen. "Wat ben je aan het doen?" vroeg Mol.
"Een selfie," zei Stekel trots. "Kijk!" Hij hield het spiegeltje naar Mol en trok de bek nog eens. Mol lachte. Mol had een dikke, zachte lach. "O, wat een gek gezicht!" zei Mol. Mol deed ook een bek. Zijn bek werd zo plat als een pannenkoek. Stekel lachte hard. De lach sprong weg als een klein kuikentje.
Vogel hoorde het lachen hoog in de boom. "Wat gebeurt daar?" vroeg Vogel, die graag hoge noten zong. Vogel vloog naar beneden. "Mag ik ook?" piepte Vogel. Stekel gaf het spiegeltje door. Vogel keek erin en trok een bek met ogen zo rond als bessen. "Pik-pik!" riep Vogel. Zijn veren wapperden. Iedereen moest nu lachen.
"Een selfie met gekke bekken!" zei Stekel. Hij vond het spannend. Hij zette het houtentelefoontje neer en drukte op het knopje met zijn pootje. Klik. Maar het telefoontje zat zo wiebelig op een paddenstoel dat het niet alleen Stekel vastlegde. Een heel rijtje dieren kwam op de foto!
Eekhoorn sprong van een tak en zwaaide met haar staart. "Doe mee!" riep ze. Haas hupte binnen en streek met zijn oren. "Een snuffelbek!" zei Haas. Beer deed heel voorzichtig zijn grote kaken. "Ik wil niet te hard lachen," bromde Beer, maar hij glimlachte toch. Konijn blies een luchtkus. "Plop!" zei Konijn. Alle bekkies waren raar. Alle bekkies waren vrolijk.
De paddenstoel wiebelde nog eens en toen viel het telefoontje op zijn kant. Klik. De telefoon was een beetje dom; hij maakte foto's in een hoge piepstem. "Piep!" piepte het toestel elke keer en iedereen schrok. "Oeps," zei Stekel. "Sorry." Maar al snel hoorde iedereen het piepje en lachte dat het een lieve lust was.
De wilde eend kwam zwemmen in de vijver en zag al het gebek op de oever. "Mag ik ook?" vroeg ze met waterdruppels in haar veren. "Natuurlijk," zei Stekel. Hij hield het spiegeltje voor de eend. De eend trok een bek met lippen als een strohoed. "Kwak!" zei ze. De anderen herhaalden: "Kwak!" en lachten méér.
De gekke bekkies werden steeds gekker. Stekel was zo blij. Hij voelde zijn stekels kriebelen van plezier. "Kijk mijn stekels!" zei hij. "Ze dansen!" En ze dansten echt, een klein beetje. Iedereen gaf hem een zachte knuffel. Mol gaf een zachte modderkus. Vogel gaf een pluimpje. Haas gaf een bonk met zijn poot. Dat voelde warm.
Toen stopte Vos, die altijd zo sluw deed. Vos keek heel serieus. "Mag ik even?" vroeg hij. Hij pakte het spiegeltje heel voorzichtig. Iedereen hield zijn adem vast. Vos trok een hele rare bek. Hij lachte daarna zo hard dat hij bijna zijn staart verloor. "Hahaha!" riep Vos. Dat klonk als een bellenblaas.
De grote klok van de oude eik sloeg zacht. Het was bijna lunchtijd. "We moeten eten," zei Beer. "Maar eerst nog één foto," zei Stekel. Hij zette het telefoonnetje op de stam en riep: "Klaar? Drie!" De dieren telden samen: "Eén, twee, drie!" En ze trokken allemaal tegelijk de gekste bekken ooit.
Toen ze de foto zagen, moesten ze weer lachen. In de foto keek Stekel met een tong eruit, Vogel had bolle oogjes, Eekhoorn leek op een bommetje, en Mol had modder als snor. Iedereen was mooi, raar en zelfs een beetje gek. Maar vooral: iedereen was zichzelf.
Na de foto ging iedereen eten. Ze deelden noten, bessen en wortels. Beer sneed een grote honingkoek in stukjes. Haas deelde wortels. Vogel zong zacht een vrolijk lied. Stekel knabbelde een klein blaadje. Ze praatten over de foto. Ze zeiden lieve dingen tegen elkaar. "Je lachte mooi," zei Konijn tegen Mol. "Dank je," zei Mol verlegen. "Je is zo aardig," zei Eekhoorn tegen Stekel. Stekel bloosde een beetje tussen zijn stekels.
"Respect," zei Stekel zachtjes. "Iedereen mag raar zijn. Iedereen mag lachen." De anderen knikten. Ze kenden elkaar en hielden om elkaar.
Toen de zon langzaam zakte, liepen ze samen naar huis. De lucht kleurde zacht oranje. De dieren voelden zich warm van binnen. Ze keken nog een keer naar de foto. Ze hielden hem veilig in het houten telefoontje. Stekel stopte het telefoontje in zijn tas. "Slaap lekker," zei Vogel, die al een beetje geeuwde.
Thuis kroop Stekel in zijn warme bedje. Zijn stekels wiegden zacht. Hij dacht aan de lachende bekken. Hij dacht aan het piepende telefoontje. Hij voelde zich blij. Buiten zongen de krekels een zacht slaapliedje.
"Tot morgen," fluisterde Stekel. Hij deed zijn ogen dicht. In zijn dromen maakten alle dieren nieuwe gekke bekken. Ze lachten zacht en lief. En de foto lag veilig in zijn tas, vol met vriendschap en zachte, gekke herinneringen.