Op een ochtend werd Luma wakker.
Luma was een kleine, glanzende draak.
Haar schubben glinsterden groen en goud.
Ze woonde in een warme, zachte grot.
Voor de grot lagen bloemen in alle kleuren.
Luma rekte zich uit.
Ze snoof diep.
De lucht rook naar nat gras en honing.
Ze hoorde vogels zingen.
Tjiep, tjiep, tjiep.
Haar staart wiebelde blij.
Op de grond bij de ingang lag iets.
Iets ronds.
Iets dat licht gaf.
Het lag half onder een blad.
Luma boog zich voorover.
Heel voorzichtig.
Ze tikte het ding met haar klauw.
Het rolde een stukje.
Het straalde warm, zacht licht.
“Wat ben jij?” fluisterde Luma.
“Ben jij verdwaald?”
Het ronde ding was een glanzende bol.
Als je goed keek, zag je er kleine sterren in.
Ze draaiden langzaam rond.
Alsof er een nacht in zat.
Luma voelde haar buik een beetje kriebelen.
Het was spannend.
Maar ook lief.
De bol voelde niet eng.
Hij voelde warm als een deken.
Naast de bol lag een klein papiertje.
Luma vouwde het open.
Er stonden gouden letters op.
“Breng deze schat terug naar zijn plaats,” las Luma hardop.
Langzaam, woord voor woord.
“De Sterrenbol hoort in de Grote Boom van Licht.”
Luma keek naar de bol.
De bol knipperde zacht.
Alsof hij “ja” zei.
“Dan help ik jou,” zei Luma.
“Maar ik weet niet waar die boom is.
We moeten zoeken.
Stap voor stap.
Met geduld.”
Ze legde de bol in een zacht doekje.
Ze knoopte het doekje om haar nek.
Zo lag de schat dicht bij haar hart.
De bol was licht en niet zwaar.
Luma liep het bos in.
De grond was vochtig en koel.
Onder haar poten kraakten kleine takjes.
Krak, krak, krak.
Ze hoorde een beekje kabbelen in de verte.
“Misschien weet de beek de weg,” zei Luma.
Ze volgde het geluid.
Het water glinsterde in het licht.
Het rook fris, als regen.
Uit het water sprong Plip, een kleine watersalamander.
Zijn huid was glad en zacht.
Hij glimlachte naar Luma.
“Hallo,” zei Plip.
“Wat draag jij daar?”
“Een Sterrenbol,” zei Luma trots.
“Hij is een schat.
Ik moet hem terugbrengen naar de Grote Boom van Licht.
Maar ik weet niet waar die is.”
Plip dacht even na.
Zijn staart bewoog langzaam heen en weer.
“Ga langs de beek naar de Zingende Stenen,” zei hij.
“Daar hoor je misschien meer.
Maar het is een lange weg.
Je moet rustig gaan.
Niet te snel willen zijn.”
Luma knikte.
“Ik zal geduldig zijn,” zei ze.
“Stap voor stap.”
Ze liep naast de beek.
De zon scheen zacht op haar rug.
Ze liep en liep.
Haar poten werden een beetje moe.
Haar maag bromde.
“Het duurt lang,” zuchtte Luma.
De Sterrenbol knipperde zacht.
Het licht werd even warmer.
Alsof hij haar wilde troosten.
“Goed,” zei Luma.
“We doen eerst even rustig.
We eten wat bessen.
Dan gaan we weer verder.”
Ze at een paar blauwe bessen.
Ze proefden zoet en een beetje zuur.
Mmm.
Haar buik voelde weer fijn.
Daarna liep ze weer verder.
Ze hoorde de beek zingen.
Glin, glon, glin, glon.
Na een tijdje zag ze de Zingende Stenen.
Het waren grote, ronde stenen.
Als de wind er langs blies, zongen ze.
Ooooh, aaaaah.
Luma ging tussen de stenen zitten.
Ze sloot even haar ogen.
“Grote stenen,” fluisterde ze.
“Weten jullie de weg naar de Grote Boom van Licht?”
De wind blies zacht.
De stenen zongen.
Tussen het gezang hoorde Luma woorden.
Heel zacht.
Heel rustig.
“Volg de wind.
Volg de geur.
De boom ruikt naar licht en naar sterrengeur.”
“Sterrengeur?” vroeg Luma verbaasd.
Ze snoof.
Ze rook aarde, bladeren, bloemen.
Maar nog geen sterren.
“Ik moet geduld hebben,” zei ze tegen zichzelf.
“Eerst een beetje uitrusten.
Dan weer luisteren.
Dan weer ruiken.”
Ze wachtte.
De zon kroop een beetje verder.
De schaduw van de stenen werd langer.
De Sterrenbol bij haar borst werd warm en zacht.
Luma aaide over het doekje.
Na een poosje snoof ze weer.
Daar!
Heel ver weg.
Een geur die ze niet kende.
Een geur die tintelde in haar neus.
Zoet en fris tegelijk.
Een beetje zoals nachtbloemen.
En een beetje zoals nieuwe sneeuw.
“Dat is de sterrengeur,” fluisterde Luma.
Ze stond op.
“Dank je, stenen.”
De stenen zongen een vrolijk “doeiii”.
Luma volgde de geur.
Soms werd de geur sterker.
Soms bijna weg.
Dan stopte Luma even.
Ze sloot haar ogen.
Ze snoof weer heel rustig.
“Niet haasten,” zei ze zacht.
“Rustig ademhalen.
Dan lukt het.”
Ze stapte over boomwortels.
Ze kroop onder lage takken door.
De bladeren kriebelden tegen haar rug.
Ze hoorde krekels tjirpen.
Ze voelde zachte modder onder haar poten.
Platsj, platsj.
Eindelijk werd de sterrengeur heel sterk.
Zo sterk dat haar neus ervan tintelde.
Voor haar stond een enorme boom.
Hij was heel, heel groot.
Zijn stam was dik en warmbruin.
Zijn bladeren gaven een zacht, zilver licht.
Het leek alsof er duizenden kleine sterretjes in hingen.
“De Grote Boom van Licht,” fluisterde Luma.
Haar hart klopte rustig en blij.
In de stam zat een ronde opening.
Binnenin was het donker en toch licht.
Het leek op een kleine, zachte nacht.
Luma haalde de Sterrenbol uit het doekje.
Ze hield hem in haar poten.
De bol straalde helder.
Hij trilde een beetje.
Alsof hij juichte.
“Je bent thuis,” zei Luma zacht.
“Dank je dat ik je mocht dragen.”
Heel langzaam, heel voorzichtig, zette ze de bol in de opening.
De bol klikte precies op zijn plek.
Geen duwtje meer nodig.
Alsof hij altijd daar had gewild.
De hele boom begon te glanzen.
Het licht werd groter en vriendelijker.
Zilveren stipjes dansten in de lucht.
Ze kringelden om Luma heen.
Ze voelde zich warm en veilig.
“Dank je, kleine draak,” fluisterde de boom.
Zijn stem klonk als wind door bladeren.
“Je was dapper.
Je was slim.
En je was geduldig.
Dankzij jou is de schat terug.”
Luma glimlachte.
“Het duurde soms lang,” zei ze.
“Maar telkens als ik rustig bleef, ging het weer verder.
Stap voor stap.”
De boom liet een zacht straaltje licht op Luma vallen.
Het licht kriebelde zacht op haar schubben.
Op haar borst verscheen een kleine, glanzende stip.
Een mini-ster.
“Voor jou,” zei de boom.
“Zodat je altijd een beetje sterrenlicht bij je hebt.”
Luma keek naar de stip.
Hij was klein, maar helder.
Hij deed haar denken aan de Sterrenbol.
Met een blij gevoel in haar buik liep Luma terug naar haar grot.
De weg voelde korter nu.
Ze kende de beek.
Ze kende de stenen.
Ze neuriede zacht het lied van de stenen.
Ooooh, aaaaah.
Bij haar grot gaapte ze even.
Ze was nu moe.
Een fijne, zachte moeheid.
Ze rolde zich op in haar warme bed van mos.
Ze legde een poot op haar borst, bij de kleine ster.
“Vandaag heb ik een schat teruggebracht,” fluisterde ze.
“Met tijd.
Met rust.
Met veel kleine stapjes.”
De ster op haar borst knipperde zacht.
De grot werd gevuld met een warm, rustig licht.
Luma sloot haar ogen.
Buiten zongen de vogels een laatste liedje.
Binnen ademde Luma rustig in en uit.
En zo viel ze in slaap.
Veilig.
Tevreden.
Met sterrenlicht dicht bij haar hart.