Finn wordt wakker in zijn bedje. Door het raam schijnt de zon op zijn gezicht. Finn lacht. Vandaag is het zomer. Vandaag is het vakantie.
Mama komt binnen. Ze zegt zacht: “Goedemorgen, Finn. De zon schijnt.” Finn springt uit bed. Zijn voeten voelen warm op de houten vloer. Hij ruikt verse broodjes. Het ruikt lekker.
Finn loopt naar de keuken. Papa zit aan tafel. “Goedemorgen, kleine beer,” zegt papa. Finn kruipt op zijn stoel. Hij krijgt een broodje met aardbeienjam. De jam plakt aan zijn vingers. Finn likt zijn vingers schoon. Mama lacht.
Na het ontbijt mag Finn zijn sandalen aan. Ze zijn rood. Hij doet ze zelf aan, maar de riempjes zijn moeilijk. Mama helpt. “Samen gaat het beter,” zegt mama. Finn knikt.
Buiten is het licht en warm. De lucht ruikt naar gras. De vogels zingen. Finn en mama lopen naar het park. Finn houdt mama's hand vast. De stoep is druk. Er rijden fietsen. Mama zegt: “Geef me je hand, Finn. Dat is veilig.” Finn knijpt in mama's hand. Samen lopen ze verder.
In het park is het rustig. Het gras is zacht. Finn ziet zijn vriendje Sam. Sam zwaait. “Wil je samen spelen?” vraagt Sam. Finn knikt. Ze lopen naar de zandbak.
Finn en Sam bouwen een grote berg van zand. Finn graaft met zijn schepje. Sam zet een takje bovenop de berg. “Dat is de vlag,” zegt Sam. Finn lacht. Ze spelen samen. Soms duwt de wind zand op hun benen. Finn voelt het kriebelen.
Even later komt een hondje langs. Het hondje blaft. Finn schrikt een beetje. Mama is dichtbij. Ze zegt: “Het hondje wil alleen spelen.” Finn kijkt naar mama. Ze glimlacht. Finn voelt zich veilig.
Na het spelen gaan ze naar de schommel. Finn klimt op de schommel. Sam duwt zacht. Finn lacht hard. De lucht voelt koel als hij heen en weer zwaait. “Nog een keer!” roept Finn. Sam lacht ook.
Als ze moe zijn, gaan ze op het gras zitten. Mama heeft een flesje water. Finn drinkt. Het water is koud in zijn mond. Sam pakt ook een slokje. Ze delen het water. Dat voelt fijn.
Finn wil nog naar de eendjes. Met mama en Sam loopt hij naar de vijver. Finn houdt mama's hand vast bij het water. De eendjes zwemmen dichtbij. Finn gooit broodkruimels in het water. De eendjes kwaken. Finn lacht en Sam ook.
Het is warm. Finn voelt het zonnetje op zijn wangen. Zijn hoofd wordt een beetje zwaar. Mama zegt: “Kom, Finn. Tijd om naar huis te gaan.” Finn pakt mama's hand. Samen lopen ze terug. Sam zwaait: “Tot morgen, Finn!”
Op de stoep houdt Finn goed mama's hand vast. Er komen fietsen voorbij. Finn weet nu: samen lopen is veilig.
Thuis is het koel. Mama maakt limonade. Finn drinkt en kijkt naar buiten. De zon straalt. Finn denkt aan Sam en de eendjes.
Mama knuffelt Finn. “Je hebt goed gespeeld vandaag,” zegt ze. Finn voelt zich blij. Samen is alles fijner. Finn geeuwt. Hij is een beetje moe.
Mama tilt Finn op schoot. Finn sluit zijn ogen. Hij voelt zich warm en veilig. In de verte hoort hij vogels zingen. Finn denkt aan de zomer, aan mama's hand, aan Sam, en aan samen spelen.
Finn glimlacht. Het was een mooie dag. Morgen mag hij weer spelen.