De eerste sneeuw en het neppe spoor
In december lag het Bos van Suikerden stil onder een zachte deken sneeuw. De dennen droegen witte mutsen. IJs bloeide als sterretjes op de plas. En ergens ver weg rook je al kaneel, alsof de winter zelf aan het bakken was.
In een warm hol onder een wortelboom woonde een konijn dat Flap heette. Flap had lange oren, een korte staart, en een hart dat snel blij werd. Hij hield van knisperende sneeuw en van lichtjes die in de avond flonkerden.
Op een ochtend vond Flap iets vreemds op zijn deurmat. Het was een piepklein pakje, ingepakt in rood papier met een groen lint. Er zat een kaartje aan, met krullerige letters:
“Voor Flap. Zoek de ster die niet bestaat. Dan begint het feest. – De Kerstelf”
Flap kneep zijn ogen samen. “De ster die niet bestaat?” fluisterde hij. Zijn snorharen trilden van nieuwsgierigheid.
Buiten glinsterde de wereld. Flap sprong in de sneeuw en volgde kleine voetstapjes die nergens vandaan leken te komen. Ze waren zo klein als rozijnen! Soms waren ze rond, soms driehoekig, alsof de maker expres van vorm veranderde.
De voetstapjes gingen naar een open plek, waar een oude eik stond. Aan de tak hing… een ster. Tenminste, het leek een ster. Hij was gemaakt van kaas.
Flap staarde. “Een kaasster?”
Op dat moment klonk er een zacht gegiechel van boven. Iets sprong uit de schaduw van een tak. Het was een elfje, klein en snel, met een muts die wiebelde als een bel. Zijn ogen glansden als knikkers.
“Ho ho ho, niet schrikken!” zei de elf. “Ik ben Kriebel, de Kerstelf. En dat daar is… een neppe ster.”
Flap snuffelde aan de kaas. Het rook heerlijk. Toch voelde hij zich een beetje beetgenomen. “Maar je zei dat ik een ster moest zoeken die niet bestaat.”
Kriebel trok een heel ernstig gezicht, maar zijn mondhoeken dansten. “Precies. Deze ster bestaat niet als echte ster. Hij is… kaas.”
Flap kon het niet laten. Hij begon te lachen. Het klonk als kleine trommeltjes in zijn borst. “Jij bent echt een grapjas.”
Kriebel boog. “Dank je! Maar pas op, Flap. Dit was maar een oefen-grapje. Straks krijg je een écht spoor.”
“Wanneer?” vroeg Flap, zijn oren rechtop.
Kriebel tikte met zijn vinger op Flaps neus. “Nu.”
Hij sprong naar beneden, plukte de kaasster van de tak en gooide hem hoog de lucht in. De ster draaide rond en landde… precies op Flaps hoofd.
Flap zag niets meer. Alleen kaas. Hij waggelde rond als een sneeuwbol op pootjes. Kriebel gierde van het lachen.
“Oké!” riep Flap, terwijl hij de ster voorzichtig afzette. “Dit is grappig. Maar wel een beetje plakkerig.”
“Dat is het idee!” zei Kriebel. “Kom mee. Er is werk te doen in december.”
De echte aanwijzing en de Charte van Lieve Streken
Kriebel rende voorop en Flap hupste achter hem aan. Ze gingen langs een rij hulststruiken met rode besjes, langs een bevroren beekje waar het ijs zong, en langs een stapel dennenappels die eruitzag alsof iemand er een toren van had gebouwd.
Bij een steen bleef Kriebel staan. Hij haalde een stukje papier uit zijn zak, zo dun als een blaadje. “Dit is de echte aanwijzing,” fluisterde hij.
Op het papier stond:
“Wie streken wil strooien als sneeuw,
moet eerst weten: zacht is dapper.
Schrijf het op, Flap:
de Charte van Lieve Streken.”
Flap knipperde. “Een charte? Wat is dat?”
“Een lijst met regels,” zei Kriebel. “Maar niet saai! Het is een toverspiegel voor grappen. Als je hem hebt, worden je streken lief. Dan blijft er geen huil achter, alleen giebel.”
Flap krabde aan zijn oor. “Maar ik kan toch al grapjes maken?”
Kriebel knikte. “Ja. En soms gaat het per ongeluk mis. Dan wordt een grap zwaar als natte sneeuw. Daarom: de charte. Jij gaat hem schrijven.”
“Waarom ik?” vroeg Flap.
“Omdat jij een goed hart hebt,” zei Kriebel, ineens wat zachter. “En omdat jij durft te leren.”
Flap voelde zijn wangen warm worden, ook al was het koud. “Oké,” zei hij. “Ik schrijf hem. Maar ik weet niet waar ik moet beginnen.”
Kriebel wipte op zijn tenen. “We gaan avonturen doen. Elke keer leer je een regel. En ik… ik test je.”
“Testen?” vroeg Flap.
Kriebel glimlachte breed. “Met lieve streken. Natuurlijk.”
Ze liepen naar het Winterplein, een plek tussen de bomen waar dieren vaak samenkwamen. Daar stond een grote mand met dennennaalden, mos en veertjes. Het was voor de Winterkrans, een versiering die aan de hoogste tak van de eik moest hangen.
“Eerste missie,” fluisterde Kriebel. Hij pakte snel een bosje veertjes en stopte het in Flaps oren. Flaps oren werden twee pluizige wolkjes.
Flap keek scheel. “Hé!”
Kriebel wees naar de mand. “Kijk goed.”
Flap keek. De mand was weg. Of nee… hij stond bovenop een gladde steen, precies op de rand, wiebelend.
“Dat is gevaarlijk,” zei Flap meteen. “Als hij valt, raakt alles kwijt.”
Kriebel deed alsof hij niets hoorde. “Oepsie.”
Flap sprong naar de steen en duwde de mand voorzichtig terug naar veilige sneeuw. Toen keek hij naar Kriebel. “Regel één,” zei hij langzaam, alsof hij hem proefde. “Een lieve streek mag niets kapot maken.”
Kriebel klapte zacht in zijn handen. “Mooi! Schrijf het op.”
Flap haalde een klein schriftje uit zijn holtas. Op de kaft stond een wortel. Met een stomp potlood schreef hij:
1. Een lieve streek maakt niets stuk.
Nog geen minuut later zagen ze een eekhoorn met een stapel nootjes. Hij wilde ze in zijn boomhol dragen. Kriebel griste één nootje en legde er een piepkleine sneeuwbal voor in de plaats.
De eekhoorn keek. “Hè? Mijn nootje is koud geworden!”
Kriebel fluisterde tegen Flap: “Grappig, toch?”
Flap keek naar de eekhoorn. Die fronste, maar begon toen te lachen, omdat de sneeuwbal precies de vorm van een noot had. Flap sprong naar voren, gaf het echte nootje terug en maakte er twee kleine sneeuwnootjes bij, als bonus.
De eekhoorn giechelde. “Dank je! Ik heb nu nootjes én grapjes.”
Flap schreef:
2. Een lieve streek eindigt met iets terug of iets extra's.
Kriebel knipoogde. “Je leert snel.”
Ze liepen verder. Aan het bevroren beekje stond een ree die water wilde drinken, maar het ijs was te dik. Kriebel tekende met zijn vinger een pijl op het ijs: “HIER LIGT LIMONADE!”
De ree keek hoopvol en tikte op het ijs. Tik. Tik. Niets.
Flap voelde een prikje in zijn buik. “Dat is niet eerlijk,” zei hij.
Kriebel hield zijn adem in, alsof hij wachtte.
Flap sprong op het ijs en krabde met zijn poot een klein rondje sneeuw weg. Daaronder lag een dun plekje. Met een paar zachte tikjes brak hij het open, zodat de ree echt bij water kon. Toen veegde hij de pijl weg en tekende een nieuwe: “HIER IS WATER. FIJN DAT JE ER BENT.”
De ree zuchtte blij. “O, dank je.”
Flap schreef, met stevige letters:
3. Een lieve streek liegt niet op een gemene manier. Hij helpt.
Kriebel keek even stil. Zijn lach werd kleiner, maar warmer. “Dat was mooi, Flap.”
Flap keek op. “Waarom maak jij eigenlijk al die grapjes?”
Kriebel sloeg zijn armen over elkaar. “Omdat december anders te ernstig wordt. Iedereen denkt aan taken, aan kou, aan wachten. Ik breng wiebels en verrassingen.”
Flap knikte. “Maar ook zachtheid,” zei hij, en hij wees naar zijn schriftje.
Kriebel keek weg, alsof er sneeuw in zijn ogen zat.
De grote stunt en het zachte geheim
Die avond werd het donker vroeg. Sterren stonden als spelden in de lucht. Overal hingen lichtjes tussen takken: kleine vuurvlieg-lampjes, netjes in een slinger.
Flap en Kriebel kwamen terug bij het Winterplein. Daar moest straks de Winterkrans omhoog, en iedereen zou komen kijken: de eekhoorn, de ree, de uil, de das, zelfs de muizenfamilie met hun piepstemmetjes.
Kriebel wreef in zijn handen. “Tijd voor mijn meesterstreek!”
Flap slikte. “Is het een lieve?”
“Bijna,” zei Kriebel. Zijn ogen twinkelden ondeugend.
Kriebel pakte een lange sliert slingers van gedroogde bessen. Hij hing hem stiekem aan de staart van een slapende das. Toen deed hij twee stappen achteruit en fluisterde: “Wacht maar.”
De das werd wakker, geeuwde, en liep… en de slinger rolde achter hem aan. Het leek alsof de das een feeststaart had. Iedereen barstte in lachen uit, ook de das zelf, toen hij het merkte.
Flap lachte mee. Dat was leuk. Maar toen zag hij iets anders: de slinger sleepte over de sneeuw, recht naar de rand van het bevroren beekje. Als de das nog even doorliep, zou de slinger in het water belanden en nat worden. Misschien zou hij zelfs vastvriezen. Dan kon niemand hem nog gebruiken.
Flap sprong snel naar voren, tikte zacht tegen de poot van de das en wees naar een droge bocht. De das draaide net op tijd. De slinger bleef droog.
Kriebel floot bewonderend. “Je bent een redder-konijn.”
Flap pakte zijn schriftje. “Regel vier,” zei hij. “Een lieve streek houdt iedereen veilig.”
Hij schreef:
4. Een lieve streek is veilig.
Toen werd het tijd om de Winterkrans op te hangen. De dieren duwden en trokken, maar de krans was groot. Hij was gemaakt van dennennaalden, mos en veertjes, en hij rook naar bos en thuis. Hij moest hoog, heel hoog.
Kriebel sprong op de krans. “Ik kan vliegen!” riep hij.
“Jij kan niet vliegen,” zei Flap.
“Jawel!” riep Kriebel, en hij sprong.
Hij viel natuurlijk niet echt hard, want de krans was zacht. Maar hij rolde wel de verkeerde kant op, recht naar het beekje. De dieren riepen: “O nee!”
Flap rende zo snel als een windvlaag. Hij zette zijn poten in de sneeuw, gleed, hapte met zijn tanden in een stukje mos, en trok. De krans stopte nét op tijd.
Iedereen juichte. De uil klapte met zijn vleugels. De muizen piepten: “Hoera voor Flap!”
Kriebel zat bovenop de krans, zijn muts scheef. Hij keek ineens niet meer ondeugend, maar klein. “Ik… ik wilde alleen dat iedereen lachte,” fluisterde hij.
Flap keek hem aan. “Dat deden ze,” zei Flap. “Maar jij werd ook een beetje te wild.”
Kriebel knikte langzaam. “Soms ben ik bang dat ik anders vergeten word. Als ik niet stuiter en stoor, wie ziet mij dan?”
Flap legde zijn poot op Kriebels arm. “Ik zie jou,” zei hij. “En ik denk dat je niet alleen streken wil. Ik denk dat je iets wil achterlaten.”
Kriebel slikte. “Ja,” zei hij heel zacht. “Ik wil een spoor. Niet van rommel… maar van iets warms. In elk hart.”
Flap voelde een tintel, alsof er een kerstbelletje in hem rinkelde. “Dan hoort er nog een regel bij,” zei hij.
Hij schreef:
5. Een lieve streek laat een warm gevoel achter.
Kriebel ademde uit, alsof hij een zwaar pakje neerlegde.
Samen hingen ze de Winterkrans op. Flap duwde, de das tilde, de ree hield hem recht, en Kriebel sprong naar de hoogste tak om het lint vast te knopen. Dit keer deed hij het rustig. Heel rustig.
Toen de krans hing, begonnen de lichtjes eromheen nog helderder te schijnen, alsof ze blij waren dat hij er was.
De veillée in het bos en de belofte
Die nacht maakten de dieren een kring rond de eik. Ze noemden het de Decemberkring. Er was warme dennennaaldthee in kleine dopjes. Er waren geroosterde kastanjes. Er was een liedje dat de uil zacht hummde, en iedereen mocht een stukje meeneuriën.
Kriebel stond naast Flap, met zijn handen achter zijn rug. “Heb je de charte af?” fluisterde hij.
Flap tikte op zijn schriftje. “Bijna.”
Kriebel keek rond. “Ik heb nog één verrassing,” zei hij. “Een laatste aanwijzing.”
“Is het weer nep?” vroeg Flap.
Kriebel grijnsde. “Eerst een klein nepje. Dan een echt.”
Hij gooide een handje sneeuw omhoog. Het viel neer als confetti. De muizen piepten van plezier.
Kriebel wees naar de Winterkrans. “Kijk goed. Zie je dat lint? Daar hangt een kaartje.”
Flap tuurde. Aan het lint bungelde een kaartje, goud van kleur. Flap sprong, sprong nog eens, en de ree hielp hem met een zachte duw zodat hij erbij kon. Hij pakte het kaartje en las hardop:
“Wie een lieve streek maakt,
maakt licht in een ander.
En dat licht blijft.
Schrijf de laatste regel.”
Flap keek naar Kriebel. “Wat is de laatste regel?”
Kriebel dacht even na. Zijn ogen waren nog steeds speels, maar ook glanzend, alsof er sterren in dreven. “Dat je het samen doet,” zei hij. “Niet om te winnen. Niet om te roepen: kijk mij. Maar om te delen.”
Flap knikte. Hij voelde hoe de Decemberkring warm was, zelfs in de koude lucht. Hij zag de eekhoorn die zijn nootjes deelde. De das die zacht lachte om zijn feeststaart. De ree die nu rustig dronk bij het open plekje in het ijs. Hij zag Kriebel, die niet groter werd door zijn streken, maar door zijn zorg.
Flap schreef de laatste regel en las toen de hele Charte van Lieve Streken voor, met zijn heldere konijnenstem:
1. Een lieve streek maakt niets stuk.
2. Een lieve streek eindigt met iets terug of iets extra's.
3. Een lieve streek liegt niet op een gemene manier. Hij helpt.
4. Een lieve streek is veilig.
5. Een lieve streek laat een warm gevoel achter.
6. Een lieve streek deel je samen.
Er werd even stil geluisterd. Toen begon de uil te klappen, langzaam en plechtig. De anderen deden mee. Het klonk als zachte sneeuw die van takken valt.
Kriebel boog diep voor Flap. “Je hebt het gedaan,” zei hij. “Je hebt mijn rommelhart netjes gemaakt.”
Flap lachte. “Je hart was al goed,” zei hij. “Het was alleen… een beetje verstopt onder grapjes.”
Kriebel wipte op en neer. “Mag ik nu weer een streek doen?”
Flap kneep zijn ogen speels samen. “Alleen als hij lief is.”
Kriebel knikte snel. Hij rende weg, plukte stiekem een klein takje hulst met drie besjes, en legde het voorzichtig naast elke dierpoot in de kring. Niemand voelde het, want hij was zo licht als een gedachte.
Toen Kriebel terugkwam, zei Flap: “Wat heb je gedaan?”
Kriebel fluisterde: “Een spoor van geluk. Kleine rode stipjes. Zodat iedereen morgenochtend iets vindt en denkt: hé, ik ben gezien.”
De volgende ochtend, toen de eerste zon door de bomen prikte, vonden de dieren de hulstbesjes. Ze glimlachten. Sommigen stopten ze in hun nest. Anderen gaven ze door.
Flap keek naar de sneeuw buiten zijn hol. Daar stonden weer piepkleine voetstapjes. Dit keer liepen ze niet chaotisch door elkaar. Ze gingen in een mooie slinger, alsof ze een liedje tekenden.
Kriebel zwaaide. “Tot de volgende streek, Flap!”
“Tot de volgende lieve streek,” riep Flap terug.
En zo, in de maand december, bleef er in het Bos van Suikerden altijd iets achter: een lach, een zachte regel, en een beetje licht in elk hart.