Bezig met laden...
Verhaal over Pasen 11/12 jaar Lezen 22 min.

De fluisterende vlaggetjes van Pasen

Bram het konijn, Noor en Miep volgen mysterieuze gekleurde vlaggetjes om verloren paaseieren terug te vinden en ontdekken onderweg dat delen en samenwerken belangrijker zijn dan alleen zoeken.

Download dit verhaal als PDF

Ideaal om dit verhaal te delen of af te drukken!

Download het e-book (.epub)

Lees dit verhaal op uw e-reader.

Bram, een grote antropomorfe grijze konijn met zacht vacht en hangende oren, kijkt gefocust en moedig; hij houdt een klein brandend kaarsje in één poot en gebruikt een stok om chocoladeneieren los te peuteren die tussen gladde stenen onder een vervallen houten brug vastzitten. Noor, een roodharig meisje met sproeten en staartjes, hurkt op de oever boven de brug en houdt stevig een touw vast dat om een paal is geknoopt om Bram te zekeren. Miep, een klein wit gevlekt konijntje, ziet er opgelucht en verlegen uit en houdt een rieten mand die zich vult met glanzende, gekleurde eieren. De scène speelt zich af bij een oud houten bruggetje over een snel stroompje met mosbedekte stenen, natte takjes en bladeren en schemerlicht dat warme en blauwe reflecties geeft; sfeer van zachte avontuur, glinstering van folie op de eieren, waterdruppels en een lichte, welwillende spanning rond de gezamenlijke reddingsactie. meld een probleem met deze afbeelding

Hoofdstuk 1: Vlaggetjes in de lentewind

De ochtend rook naar nat gras en paasbrood. Op het dorpsplein hing een slinger van lichtjes tussen twee kastanjebomen, en overal stonden potten met gele narcissen alsof ze net wakker waren geworden.

Bram het konijn stond op een houten krukje met een rol touw om zijn poot. Hij had zachte, grijze oren die altijd net iets te veel luisterden. In zijn mand lagen fanions: kleine driehoekige vlaggetjes in felle kleuren—geel, blauw, rood, groen, paars—zo vrolijk dat je er bijna van ging glimlachen zonder reden.

“Niet scheef, Bram!” riep Noor, een meisje met sproeten en een jas vol moddervlekken van gisteren. Ze hield de andere kant van het touw strak.

“Ik probeer het juist superrecht te doen,” bromde Bram. Hij trok een geel vlaggetje glad. “Maar de wind heeft een eigen mening.”

De fanions dansten. En toch… terwijl Bram ze vastknoopte, merkte hij iets vreemds: de kleuren leken niet zomaar willekeurig. Geel wees naar het bakkerijtje. Blauw naar de oude brug. Rood naar het bosrandje. Het was alsof ze een geheim fluisterden, alleen in kleur.

Bram kneep zijn ogen samen. “Noor… zie jij dat ook? Dat geel steeds… daarheen wijst?”

Noor keek, haar hoofd scheef. “Huh. Misschien kiest jouw knoopkunst gewoon voor avontuur.”

Bram wilde lachen, maar zijn snorharen kriebelden van nieuwsgierigheid. Hij knoopte nog een vlaggetje vast—groen—en precies op dat moment kwam meester Pip, de postduif, aangevlogen. Hij landde op de slinger alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.

“Prrr… post!” zei Pip met een belangrijk gezicht. Aan zijn poot zat een klein kaartje.

Bram maakte het los en las hardop: “Voor Bram. Volg de kleuren. Deel wat je vindt. — De Paashaas… of iemand die hem kent.”

Noor sloeg haar handen voor haar mond. “Ooo! Geheimen met chocolade, hoop ik.”

Bram stopte het kaartje in zijn borstzakje. “We gaan kijken. Maar we doen het samen. En we nemen iemand mee die het nodig heeft.”

Net toen ze dat zeiden, zag Bram aan de rand van het plein een klein konijntje zitten. Het trilde een beetje, alsof het nog winter in zijn buik had. Naast hem stond een lege mand.

Bram stapte van het krukje. “Hé. Alles oké?”

Het konijntje schudde zijn hoofd. “Ik ben Miep. Ik moest paaseieren bezorgen, maar… ik ben de weg kwijt. En mijn mand is… nou ja.” Ze keek naar de lege bodem. “Leeg. Ik heb ze laten vallen bij de beek. Ze zijn weggedreven.”

Noor knielde. “Dan gaan we ze terugvinden. Bram is vandaag toch al bezig met… mysterieuze vlaggetjesroutes.”

Bram knikte. “Kom maar mee, Miep. Pasen vier je niet alleen.”

Hoofdstuk 2: Geel naar de bakker

Het gele vlaggetje wees zo duidelijk naar de bakkerij van mevrouw Knetter dat Bram bijna verwachtte dat het “hier!” zou roepen.

Binnen was het warm en zoet. Het rook naar kaneel, gesmolten boter en chocolade die stiekem aan het afkoelen was. Mevrouw Knetter, een stevige haas met een bloem op haar schort, keek op van haar deeg.

“Bram! Noor! En… een extra paar oortjes,” zei ze, terwijl ze Miep vriendelijk aankeek. “Wat brengt jullie hier op zo'n drukke dag?”

Bram legde het kaartje op de toonbank. “We volgen de kleuren. En we zoeken eieren die zijn weggeraakt.”

Mevrouw Knetter hield het kaartje tegen het licht. “Kleuren die richting geven… Dat klinkt als de oude paastraditie van de Fanions van Fluisterstof.

Noor trok haar wenkbrauwen op. “Fluisterstof? Is dat echt?”

Mevrouw Knetter tikte op haar neus. “Echt genoeg om je sokken van te laten verdwijnen als je niet oplet.” Ze lachte, maar haar ogen twinkelden serieus. Ze liep naar achteren en kwam terug met een klein zakje. “Hier. Een snufje suikerzand met een vleugje… nou ja, iets. Strooi het op een fanion en kijk wat er gebeurt.”

Bram keek naar het zakje alsof het kon bijten. “En wat gebeurt er?”

“De kleur wordt net iets eerlijker,” zei mevrouw Knetter. “Die wijst niet alleen een plek aan, maar ook wat je daar moet doen.”

Miep kneep in haar lege mand. “Ik moet iets doen om mijn eieren terug te krijgen?”

“Misschien,” zei Bram. “Of om anderen te helpen. Dat stond op het kaartje: deel wat je vindt.”

Noor grijnsde. “Delen. Met chocolade. Dat is de moeilijkste sport die er is.”

Mevrouw Knetter zette drie warme broodjes neer—paasbroodjes met rozijnen die eruit piepten als nieuwsgierige ogen. “Eerst energie. Solidariteit begint niet met heldendaden, maar met een volle maag.”

Miep nam een broodje met twee pootjes aan. “Dank u.”

Bram strooide een beetje van het suikerzand op het gele fanion dat hij aan zijn touw had hangen. Het stof glinsterde, heel even, alsof iemand een lampje aanstak in de lucht. Het gele vlaggetje draaide een kwartslag bij, en wees nu niet naar de bakkerij… maar naar een mand onder de toonbank.

Mevrouw Knetter bukte en haalde er een rieten mand uit. “Aha. Dat is voor jullie.” In de mand lagen geen eieren, maar drie kleine paaskaarsjes en een rol extra touw.

Aan het handvat hing een briefje: “Licht helpt je kijken. Touw helpt je terugbrengen.”

Bram keek naar Noor en Miep. “Oké. Dit is officieel een avontuur.”

Miep glimlachte voor het eerst. “En we zijn met z'n drieën. Dat is al minder eng.”

Buiten wapperde het volgende fanion—blauw—harder dan de rest, alsof het ongeduldig was.

Hoofdstuk 3: Blauw bij de oude brug

De oude brug kraakte altijd een beetje, zelfs wanneer niemand erover liep. Hij lag over de beek, die vandaag snel stroomde van al het gesmolten lente-water. Aan de reling hingen hier en daar stukjes lint; het dorp versierde alles wat niet weg kon rennen.

Bram stak een paaskaarsje aan. De vlam trilde in de wind, maar gaf een warm, zacht licht. Noor hield haar hand eromheen als een levende windmuur.

“Waar kijken we naar?” vroeg Noor. “Chocoladevissen?”

Miep wees naar het water. “Daar… ik denk dat mijn eieren die kant op gingen.”

Bram strooide een beetje suikerzand op het blauwe fanion. Het glinsterde en het vlaggetje kleurde even dieper, als een stuk hemel na regen. Toen draaide het naar beneden, recht naar de beek.

“Het zegt: omlaag,” mompelde Bram.

Noor keek rond en wees. “Daar, onder de brug! Er hangt iets vast tussen de stenen.”

Ze klommen voorzichtig langs een smal paadje naar beneden. Onder de brug was het koel en donkerder. Bram hield het kaarsje hoog en zag: een klont gras, een stuk tak, en daartussen—glanzend papier. Paaseieren! Of nou ja, de chocoladeversies ervan, in felgekleurd folie.

Miep sprong bijna van blijdschap. “Mijn eieren!”

Maar toen zag Bram het probleem. De eieren zaten vast in een rommelige knoop van takken, en de stroom trok eraan alsof hij ze toch wilde meenemen.

“Het touw,” zei Bram. “Daarom kregen we touw.”

Noor knoopte het ene uiteinde om een stevige paal bovenaan, en Bram knoopte het andere om zijn middel. “Wacht,” zei Noor. “Niet stoer doen. We doen dit slim.”

Bram stak zijn poot uit naar de eieren, maar de beek spatte op en maakte de stenen glad.

Miep beet op haar lip. “Het is mijn schuld.”

“Ho,” zei Bram. “Stop. Schuld is geen reddingsvest. We doen dit samen.” Hij keek naar Noor. “Jij houdt het touw strak. Miep, jij houdt de mand klaar. En ik… ik ga voorzichtig.”

Noor knikte. “Deal. En als je valt, lach ik pas als je weer op het droge bent.”

Bram schoof stap voor stap. Het kaarslicht maakte schaduwen op de stenen, maar het liet ook precies zien waar het glad was. Hij haakte met een stok de klont los. Eén ei schoot vrij—Miep ving het bijna als een keeper.

“Ja!” riep Noor zacht.

Eén voor één kwamen de eieren los, tot de mand weer rammelde van chocolade en folie. Miep's ogen glansden alsof ze zelf een paasei was.

Net toen Bram terug wilde klimmen, zag hij iets anders tussen de stenen: een klein houten kistje, half bedekt met modder. Op de deksel stond een rood stipje geschilderd.

“Rood,” fluisterde Bram. “Het volgende fanion.”

Hij duwde het kistje los en gaf het aan Noor. Ze veegde de modder weg. Aan de zijkant zat een slotje, maar geen sleutel—alleen een gleuf, precies groot genoeg voor een paaskaarsje.

Noor stak het kaarsje erin. De vlam flakkerde, en het slot klikte open alsof het wakker schrok.

Binnenin lag een kaart, getekend met dikke strepen in kleuren: geel, blauw, rood, groen… en pijlen die naar het bos wezen.

En nog een briefje: “Neem niet alles mee. Laat ook iets achter.”

Miep keek naar haar mand vol eieren. “Maar… ik heb ze nodig om te bezorgen.”

Bram knikte langzaam. “Ja. Maar misschien is er iemand anders die ze nóg harder nodig heeft.”

Noor dacht aan het dorp boven hen. “Er is een buurthuis. Daar vieren ze Pasen met kinderen die geen grote mand hebben.”

Miep slikte. Toen pakte ze drie eieren uit haar mand en legde ze op een droge steen, netjes in een rijtje. “Voor wie ze vindt,” zei ze. “Dat is eerlijk.”

Bram glimlachte. “Dat is solidariteit. En ook best dapper.”

Het rode fanion bovenaan de brug wapperde, alsof het tevreden was.

Hoofdstuk 4: Rood het bos in

Het bos aan de rand van het dorp was niet eng, maar wel vol geluiden die je niet meteen kon plaatsen: het tikken van een specht, het geritsel van bladeren, het zachte “plop” van een dennenappel die viel alsof iemand hem per ongeluk liet vallen.

Bram liep voorop met de kaart uit het kistje. Noor droeg de mand met eieren samen met Miep; om de beurt, want samen dragen is sneller én minder zwaar—dat had Bram ooit geleerd toen hij een reuzewortel wilde verplaatsen.

“Volgens de kaart moeten we naar… een open plek met drie stenen,” zei Bram.

Noor keek om zich heen. “Drie stenen? In een bos vol stenen. Heel handig.”

Miep wees naar de fanions die Bram aan een stok had gebonden. “Maar de kleuren wijzen toch? Dat is het geheim.”

Bram strooide een snufje suikerzand op het rode fanion. Het rood werd zo fel dat het even leek alsof het warm gaf. Het vlaggetje draaide en wees naar een smal paadje dat Bram nog nooit had gezien.

“Oké,” zei Noor. “Geheime paadjes zijn officieel mijn favoriete soort paadjes.”

Ze volgden het. Het pad kronkelde tussen varens en jonge berken door. Af en toe zag Bram iets glimmen op de grond: kleine chocoladedruppels, alsof iemand een spoor had gelegd. Noor raapte er één op en hield hem omhoog.

“Bewijs dat magie ook kan knoeien,” zei ze.

Op de open plek lagen inderdaad drie grote stenen, in een driehoek. In het midden stond een mand—veel groter dan die van Miep—maar hij was half leeg. Ernaast zat een oude haas met een bril die op het puntje van zijn neus balanceerde. Zijn oren hingen een beetje slap van vermoeidheid.

“Ah,” zei hij, zonder op te kijken van een lijstje. “Jullie zijn laat. Of vroeg. Ik raak in de war van klokjes in de lente.”

Bram stapte dichterbij. “Bent u… de Paashaas?”

De oude haas kuchte. “Ik ben Oom Parel. Ik help de Paashaas. De echte rent zich nu suf door het dorp. En ik…” Hij keek naar de halflege mand. “Ik kom eieren tekort. Sommige bestellingen gaan naar het buurthuis, en daar willen we extra. Maar mijn voorraad is… tja.”

Miep keek naar haar mand en toen naar Oom Parel. Ze aarzelde, alsof ze een touw in haar buik moest losmaken. “Ik heb eieren teruggevonden. En ik heb er al drie achtergelaten bij de brug. Maar… ik kan er ook hier een paar geven.”

Noor glimlachte. “We kunnen delen. We zijn toch niet van chocola gemaakt.”

Bram kuchte. “Nou, ik niet. Jij misschien een beetje.”

Noor duwde hem speels tegen zijn schouder.

Miep legde voorzichtig een rij eieren in de grote mand. Ze telde hardop, zodat het echt voelde: “Eén, twee, drie, vier, vijf… tien.”

Oom Parel's ogen werden groot achter zijn bril. “Dat redt een hele tafel.”

Bram wees naar de fanions. “Maar waarom die kleurenroute?”

Oom Parel leunde naar voren. “Omdat mensen sneller helpen als ze zelf op pad gaan. Een bordje ‘doneer hier' is saai. Maar een slinger fanions die geheimen fluistert? Dan komen zelfs konijnen die eigenlijk alleen wilden versieren.”

Bram voelde zijn wangen warm worden. “Dus… we werden een beetje gestuurd.”

“Geleid,” verbeterde Oom Parel vriendelijk. “Zoals een paasei dat rolt: het gaat niet zomaar rechtdoor, maar het komt ergens uit.”

Noor keek naar de kaart. “Er is nog een kleur: groen. Waar is die voor?”

Oom Parel tikte op de laatste pijl. “Groen brengt jullie naar de laatste plek. Daar wacht iets kleins. Iets dat je niet kunt eten, maar wel kunt voelen.”

Miep keek nieuwsgierig. “Wat dan?”

Oom Parel glimlachte geheimzinnig. “Ga maar. En neem dit mee.” Hij gaf Bram een klein belletje van zilverkleurig metaal. “Als je hulp nodig hebt, rinkelen.”

Bram stopte het belletje in zijn zak. Het voelde koel en geruststellend, alsof het “ik ben er” zei.

Hoofdstuk 5: Groen en het buurthuisfeest

Het groene fanion leidde hen terug richting dorp, maar niet naar het plein. Naar het buurthuis, een oud gebouw met ramen vol tekeningen van kuikens en bloemen. Buiten stond een tafel met lege schalen en een slordige stapel servetten die de wind probeerde te stelen.

Binnen klonk geroezemoes. Kinderen lachten, stoelen schoven, iemand liet een lepel vallen en riep dramatisch: “Mijn lepel is gevallen, nu is de soep beledigd!”

Bram, Noor en Miep stapten naar binnen met de grote mand eieren van Oom Parel—die ze mochten afleveren—en Miep's eigen mand, nu wat lichter maar nog steeds vol genoeg om te bezorgen.

Een vrouw met een hoofdband vol glitters keek op. “Jullie zijn precies op tijd! We hadden… eh… een klein chocoladeprobleem.”

Noor fluisterde tegen Bram: “Chocoladeproblemen zijn de beste soort problemen.”

Bram liep naar de tafel en begon de eieren neer te zetten. Kinderen kwamen dichterbij, ogen groot als schoteltjes.

Maar toen zag Bram in een hoek een jongen die niet meedeed. Hij zat op een klapstoel met zijn armen over elkaar. Zijn gezicht stond op “ik doe alsof het me niks kan schelen”, maar zijn ogen volgden elk ei.

Bram liep naar hem toe, rustig. “Hoi. Wil je helpen met uitdelen? Dat is best een belangrijke taak.”

De jongen trok één schouder op. “Ik heet Sem. Ik ben hier omdat mijn moeder werkt. Niet omdat ik van kinderfeestjes houd.”

“Noem het dan geen feestje,” zei Noor, die erbij kwam staan. “Noem het een… chocolade-operatie.”

Sem keek haar aan. “Operatie?”

“Ja,” zei Noor serieus. “We moeten voorkomen dat de eieren verdampen. Chocolade is heel vluchtig in de buurt van hongerige mensen.”

Sem snoof, maar een glimlach ontsnapte toch. “Oké. Waar moet ik staan?”

Miep gaf hem een mandje met kleinere eitjes. “Hier. En… dank je.”

Sem keek even verrast door dat simpele “dank je”, alsof hij het niet vaak hoorde. Daarna begon hij uit te delen, eerst voorzichtig, toen steeds zelfverzekerder. Hij gaf ook expres een extra ei aan een klein meisje dat haar handen had verbrand aan warme chocolademelk en nu sip keek.

Bram zag het en voelde iets warms in zijn borst. Niet chocolade-warm, maar iets anders. Iets groens, misschien.

Bij de deur rinkelde ineens het zilveren belletje in Bram's zak vanzelf, heel zacht. Bram bevroor. Noor merkte het ook.

“Heb jij… gerinkeld?” fluisterde Noor.

Bram schudde zijn hoofd. Hij keek naar het groene fanion dat hij aan zijn stok had hangen. Het wapperde, maar het leek ook… te knikken.

Bram volgde het, de gang in, naar een klein lokaal waar knutselspullen lagen. Op de tafel stond een pot met water en daarin een bos verse tulpen. Ernaast lag een envelop met zijn naam.

Hij maakte hem open. Er zat een enkel groen papieren vlaggetje in, en een briefje:

“Je hebt gedeeld wat je vond. Nu mag je iets achterlaten dat blijft: een richting voor iemand anders.”

Bram keek naar Noor en Miep die achter hem stonden. “We moeten een fanion ophangen. Een nieuwe.”

Miep fronste. “Maar waarheen moet hij wijzen?”

Noor dacht na en keek door het raam naar buiten, waar ze Sem zag die lachte terwijl hij een kind hielp met een servet. “Naar plekken waar mensen elkaar nodig hebben,” zei ze zacht. “Niet alleen naar spannende bruggen.”

Bram knikte. Hij liep terug de zaal in, zocht een plek bij de ingang en hing het groene fanion op aan een touwtje, precies zo dat het naar de tafel wees waar kinderen samen knutselden en deelden. Het was geen geheime grot, geen magische schatkist—maar het voelde wel als een soort schat.

Sem kwam naast Bram staan. “Is dat… speciaal?”

Bram keek naar het fanion. “Ja. Het is een aanwijzing. Voor iedereen die binnenkomt: hier gebeurt iets goeds.”

Sem knikte langzaam. “Best slim. Dan weet je waar je moet beginnen.”

Miep pakte haar mand. “Ik moet de rest bezorgen. Maar… ik ben niet meer bang om de weg kwijt te raken,” zei ze. “Want ik weet nu dat ik kan vragen. En delen.”

Noor stootte Bram aan. “Kijk ons nou. We zijn bijna een team met een missie.”

Bram grijnsde. “Bijna? We zijn het al.”

Hoofdstuk 6: Een rustige landing

De middag zon zakte langzaam, alsof hij ook moe werd van alle vrolijkheid. Op het dorpsplein wapperden de fanions nog steeds. De kleuren leken nu minder geheimzinnig, meer… tevreden. Alsof ze hun werk hadden gedaan.

Bram, Noor en Miep liepen terug langs de kastanjebomen. Miep ging naar huis met een lichtere mand en een rechtere rug. Noor huppelde, maar op een slome manier, alsof haar voeten nog wilden dansen terwijl haar ogen al aan slapen dachten.

Bram keek omhoog naar de slingers. Hij dacht aan de eieren bij de brug, aan Oom Parel die tekort kwam, aan Sem die eerst zuur keek en nu mee uitdeelde. Het was een dag vol kleine knopen die los waren gekomen.

Noor gaapte. “Ik denk dat ik vanavond in slaap val met een paasei in mijn hand.”

“Doe dat niet,” zei Bram. “Dan word je wakker met chocolade op je kussen. En dat klinkt leuk, maar het plakt.”

Ze lachten. De wind liet een fanion tegen Bram's oor tikken, heel zacht. Alsof het fluisterde: goed gedaan.

Thuis—een knus hol onder een oude appelboom—legde Bram zijn touw en overgebleven vlaggetjes netjes neer. Hij zette het zilveren belletje op een plankje, naast een klein schaaltje met één chocolade-ei dat hij had bewaard.

Niet om te hamsteren, maar om te onthouden.

Bram kroop op zijn favoriete plek: een stapel zachte dekens met een kussen dat naar lente rook. Noor was al naar huis, Miep ook. Het was stil op een fijne manier, alsof het huis even zijn adem inhield.

Bram sloot zijn ogen. In zijn hoofd wapperden kleuren: geel, blauw, rood, groen. Niet als geheimen, maar als wegen die je samen kunt lopen.

“Volgende keer hang ik de fanions nog hoger,” mompelde hij slaperig. “Dan kan de wind er beter mee spelen.”

En met dat laatste, dappere plan viel Bram in een kleine, welverdiende dut.

Zonder advertenties 3€ per maand

Wilt u ononderbroken lezen? Steun Oh My Tales, verwijder alle advertenties en geniet van andere inbegrepen voordelen vanaf 3€ per maand.

Bekijk de plannen en tarieven
Delen

rapporteer een probleem met dit verhaal

Wat vond je van dit verhaal?

Geef uw mening door een beoordeling te geven aan dit verhaal op basis van wat u en/of uw kind ervan vonden. Bij voorbaat dank!

Dank je wel! Uw beoordeling is in behandeling genomen!

De quiz: heb je het verhaal goed begrepen?

Lentewind
Een zachte wind die vaak voelt in de lente, als het weer warmer wordt.
Slinger
Een lange rij versiering die je ophangt, bijvoorbeeld met vlaggetjes eraan.
Narcissen
Gele lentebloemen met één grote bloem en een trompetvormig hart.
Fanions
Kleine driehoekige vlaggetjes die je gebruikt om iets te versieren.
Knoopkunst
Het goed en netjes maken van knopen, zodat dingen niet losraken.
Postduif
Een vogel die vroeger gebruikt werd om berichtjes naar iemand te brengen.
Borstzakje
Een klein zakje of vakje aan de voorkant van kleding, op de borst.
Solidariteit
Juist samen helpen en delen met mensen die het nodig hebben.
Fluisterstof
Een naam uit het verhaal voor een speciaal soort stof dat geheimen lijkt te helpen.
Klapstoel
Een stoel die je kunt opvouwen om makkelijk te bewaren of mee te nemen.

Creëer een magisch en uniek verhaal voor uw kind!

Creëer in slechts een paar minuten een gepersonaliseerd avontuur waarin uw kind de held wordt. Met onze exclusieve tool is het gemakkelijk, gratis en leuk!

Een verhaal creëren

Download dit verhaal:

Download dit verhaal als PDF Download het e-book (.epub)

Ontvang elke zondagavond nieuwe verhalen!

Ontvang 7 spannende en boeiende verhalen, afgestemd op de leeftijd en smaken van uw kind, elke zondag om 17:00*. Het is gratis en gegarandeerd zonder spam!
*E-mail verzonden om 17:00 uur Midden-Europese Tijd (CET).
We houden ook niet van spam. Daarom sturen we alleen verhalen. U kunt zich op elk gewenst moment afmelden.