Beer opent zijn ogen. De sneeuw is weg. De zon warmt zijn neus. Lente is gekomen. Beer rekt zich uit. Hij ruikt nat gras. Hij luistert naar zachte geluiden.
Buiten is het licht. Kleine druppels glinsteren op de takken. Een vogel zingt. Een bij zoemt zacht. Beer loopt langzaam. Hij voelt de aarde onder zijn poot. Het kriebelt lekker.
In het bos ziet Beer een madeliefje. Het bloemetje wiegt in de wind. Beer bukte. Hij pakt zijn vergrootglas. Hij houdt het dichtbij. Het bloemetje wordt groot en dichtbij. Beer lacht. "Kijk," zegt hij zacht. "Wat zie jij?"
Een haas komt hoppen. Hij snuffelt. "Ik zie baarse blaadjes," zegt de haas. Beer geeft het vergrootglas. De haas kijkt met één oog. "O, de nerven zijn als lijntjes," fluistert de haas. Ze kijken samen. Ze lachen zacht.
Verderop kriebelt iets op een blad. Een slak glijdt langzaam. Zijn huisje glanst als een klein huis. Beer houdt het vergrootglas heel rustig. "Zachtjes," zegt hij. "We kijken rustig." De slak glijdt verder. Beer geeft het vergrootglas aan de egel die naast hen snuffelt. Egel kijkt en zegt: "Zo traag. Zo mooi."
De zon voelt warm op Beers vacht. Zijn hart voelt rustig. Hij ademt in. Hij ademt uit. De lucht ruikt naar nat gras en bloesem. Beer denkt aan de winterjas die hij had opgeborgen. Nu draagt hij alleen nog zijn zachte vacht. Iedereen voelt dat de dag lang en vriendelijk is.
Aan de waterkant zit een kikker. Hij piept een kort lied. Kleine waterdruppels springen. Beer zet zijn poot voorzichtig in het gras. "Mag ik kijken?" vraagt de kikker. Beer knikt. Hij geeft het vergrootglas. Samen turen ze naar een piepbeestje onder een steentje. Het beestje is klein en geel. Het is een nieuw leven. De kikker klapt blij met zijn poot. "Hoera," zegt hij zacht.
Langs het pad staat een oude boom. Er groeien knopjes aan de takken. De knopjes zijn als kleine verrassingen. Beer legt zijn hoofd tegen de stam. De bast ruikt naar warm bos. Een mierenstraat loopt om de boomwortel. Beer kijkt met zijn vergrootglas naar de mieren. Ze dragen blaadjes. Beer glimlacht. "Wat hard werk," zegt hij. De mieren knikken. Niemand haast zich. Iedereen doet zijn taak rustig.
Een klein meisje met een gele regenjas komt lopen. Ze stopt en kijkt. Haar handen zijn koud. Beer reikt haar het vergrootglas aan. Haar ogen worden groot. "Dank je," zegt ze zacht. Ze ruikt aan een bloesem en sluit haar ogen. "Het ruikt naar honing," zegt ze. Beer voelt warmte in zijn hart.
De dag glijdt langzaam naar de avond. De lucht kleurt zacht roze. De vogels zoeken hun nest. De bijen zingen hun laatste liedje. Beer zet het vergrootglas terug in zijn tas. Iedereen zit bijeen: haas, egel, kikker, mieren en het meisje. Ze ademen samen. Ze luisteren naar het zachte bosgeluid.
Beer glimlacht en zegt: "Dank jullie wel dat jullie meekeken." Iedereen zegt iets terug. De haas tikt met zijn poot. De egel snuffelt tevreden. De kikker kwakt zacht. Het meisje fluistert: "Dank je." De mieren klinken als een zacht susje.
Samen zeggen ze één laatste woord, zacht en blij. "Dankjewel."