Agent Mila loopt rustig door de straat. Haar jas is blauw. Haar pet glanst. "Goede avond", zegt ze zacht. Haar lampje knippert groen. Tok tok, zegt het licht, toc-toc.
Noor speelt bij de stoep. Ze heeft een bal. "Hoi", zegt Noor. Mila lacht. "Kom mee", zegt Mila. Samen lopen ze langzaam. Ze kijken naar het verkeerslicht. Groen is gaan. Rood is stil. Groen betekent lopen. Groen zegt hop. "Kijk", zegt Mila. "Wacht op groen. Kijk naar links. Kijk naar rechts. Kijk nog eens."
Een oude man wandelt traag. Zijn hond snuffelt. Mila helpt hem over de straat. Ze houdt het verkeer stil met haar hand. Ze zegt zacht: "Rustig, ik help." Auto's stoppen. Beep, zegt een auto. De man lacht. Noor klapt zacht in haar handen. "Dank je", zegt de man.
Mila legt uit wat een agent doet. Ze helpt mensen. Ze praat met kinderen. Ze maakt de straat veilig. Ze gebruikt haar fluitje. Piep-piep. Ze vertelt ook over veilig fietsen. "Draag een helm", zegt Mila. "Fiets aan de hand bij de drukke straat", zegt ze. Noor knikt.
De zon gaat langzaam weg. De straat wordt zacht donker. Mila zet haar lampje aan. Het licht is groen en warm. "Kijk naar het licht", zegt ze. Kinderen leren. Ouders leren ook. Mila vertelt over bellen bij nood. "Bel 1-2-3", zegt ze zacht. Noor oefent met haar vinger. Ze zegt zacht: "1-2-3."
Aan het einde van de avond brengt Mila Noor naar huis. De bal rolt niet ver meer. Noor zwaait. Mila zwaait terug. "Slaap zacht", zegt Mila. De maan kijkt goed. Alles is veilig en rustig.
Goede hulp maakt de straat warm en veilig voor iedereen.