Mila is een jonge vrouw. Ze is agent. Ze draagt een blauw pak. Ze heeft een pet. Mila lacht zacht.
Vanavond loopt Mila door de straat. Het is rustig. De lampen staan aan. Ze zwaait naar mensen. “Goedenavond,” zegt Mila. Een oma zwaait terug. Een papa met een buggy knikt.
Mila ziet een kind op een stoep. Het kind heet Noor. Noor is twee. Noor houdt een knuffel vast. Mama staat erbij.
“Hallo Noor,” zegt Mila. “Ik ben agent Mila.”
“Agent,” zegt Noor.
“Ja,” zegt Mila. “Ik help mensen. Ik kijk of het veilig is.”
Mila wijst naar de weg. “Auto's rijden hier. We wachten bij de rand.” Ze gaat door haar knieën. Mama doet ook mee. Noor kijkt.
“Wat doe jij dan?” vraagt mama zacht.
“Ik let op,” zegt Mila. “Ik praat. Ik help. Ik doe rustig.”
Bij het zebrapad staat een knop. Mila wijst. “Kijk, hier druk je.” Noor drukt. Het licht wordt groen.
“Groen!” zegt Noor.
“Groen is lopen,” zegt Mila. “We lopen samen. Hand in hand.”
Ze steken over. Mila kijkt links en rechts. Noor stapt kleine stapjes. Aan de overkant zegt Noor: “Klaar!” Mila lacht. “Goed gedaan.”
Even verder ligt een kleine bal op de stoep. Een buurjongen zoekt hem. Zijn ogen zijn nat. Mila loopt naar hem toe. “Hoi,” zegt Mila. “Ben je je bal kwijt?”
“Ja,” zegt de jongen.
Mila pakt de bal op. “Hier is hij.”
“Dank je,” zegt de jongen. Hij glimlacht weer.
Mila praat met de mensen. “Fijn als we elkaar helpen,” zegt ze. Ze geeft ook een tip. “Speel met de bal op het plein, niet op de weg. Dan is het veilig.”
Noor kijkt naar Mila. “Agent Mila lief,” zegt Noor.
“Dank je,” zegt Mila. “Ik ben er voor iedereen.”
Mama tilt Noor op. “Slaap lekker straks,” zegt Mila. Noor zwaait. “Dag agent!”
In bed denkt Noor aan het groene licht en aan de bal.
Moraal: Als we rustig opletten en elkaar helpen, voelt iedereen zich veilig.