De eerste basketbalmiddag
Op een mooie zonnige dag zitten Noor en Mila samen op het gras in de speeltuin. Noor draagt haar rode sportbroek en haar haren in twee vrolijke staartjes. Mila zit naast haar in haar blauwe rolstoel. Ze lacht en zwaait met haar handen. “Wat wil jij spelen vandaag, Noor?” vraagt Mila zacht. Noor kijkt rond en wijst naar het basketbalpleintje met het lage net.
“Zullen we basketbal proberen?” zegt Noor. Ze pakt de bal die naast haar ligt. Mila glundert. “Ja, dat vind ik leuk! Samen gooien en rennen!” Noor knikt blij. Ze lopen en rollen naar het veldje. Noor duwt de bal over het gras. Mila volgt haar rustig en lacht.
De zon schijnt op hun gezichten. Noor stuitert de bal. “Boing, boing, boing!” zegt Noor. Mila klapt in haar handen. Samen lachen ze. Ze zien Mia, een meisje uit de buurt, zwaaien. “Mag ik meedoen?” vraagt Mia. Noor roept: “Natuurlijk, kom erbij!”
Ze maken een klein team. Noor probeert te dribbelen, Mila rijdt een beetje heen en weer, en Mia juicht als de bal op het net afgaat. Soms gaat de bal mis, soms raakt hij de paal. Maar dat maakt helemaal niet uit. “Goed geprobeerd!” roept Mila, als Noor de bal net naast het net gooit.
Dan, op eens, is Noor een beetje verdrietig. Ze kijkt naar haar bal die ver weg is gerold. Ze wilde zo graag scoren. “Geeft niet,” zegt Mila zacht. Ze rijdt naar Noor toe. “We proberen het nog eens. Samen lukt het vast.”
Noor wrijft over haar ogen. Mia pakt de bal en komt dichterbij. “We doen het rustig aan,” zegt Mia. “We helpen elkaar.” Noor glimlacht weer en pakt Mila's hand.
Samen rust nemen
De drie meisjes gaan samen even zitten onder een grote boom. Noor ademt diep in en uit. “Soms is het moeilijk als het niet lukt,” zegt ze. Mila knikt. “Ja, maar als je even rustig gaat zitten, voel je je beter.” Mia wijst naar de lucht. “Kijk, de wolken lijken op zachte kussens!”
“Zullen we even luisteren naar de vogels?” fluistert Noor. Ze sluiten hun ogen en luisteren. De vogels fluiten zachtjes. De wind ruist door de bladeren. Noor voelt zich weer rustig worden. Ze lacht en zegt: “Nu kan ik weer lachen.”
Mila pakt haar waterfles en deelt hem met Noor en Mia. Ze drinken samen. “We doen het rustig aan en hebben plezier. Dat is het belangrijkste, toch?” zegt Mila. Noor en Mia knikken blij.
Terug naar het spel
Na het rusten staan de meisjes samen op. Mila draait haar rolstoel richting het veld. Noor stuitert de bal een paar keer. Mia lacht en zegt: “Klaar voor de wedstrijd?” Noor steekt haar duim op. “Ja! Samen zijn we sterk.”
Noor gooit de bal naar Mila. Mila vangt hem met beide handen en gooit hem naar Mia. Mia probeert te scoren. De bal stuitert tegen het net en valt erin! “Hoera!” roepen ze alle drie. Noor springt op. Mila klapt in haar handen. Mia lacht breed.
Ze spelen nog een tijdje samen. Soms winnen ze, soms niet. Maar elke keer als het niet lukt, geven ze elkaar een knuffel. “Volgende keer beter,” zegt Noor. Mila lacht: “Het is toch maar een spel. Het is leuk samen.”
Als het tijd is om naar huis te gaan, zwaaien Noor en Mila samen naar Mia. “Bedankt voor het leuke spel!” roept Mia. Noor zegt: “Morgen weer?” Mila antwoordt: “Ja, morgen weer samen!”
Noor en Mila rijden samen naar huis. Ze zingen een vrolijk liedje. Noor zegt zacht: “Vandaag vond ik het even moeilijk, maar nu ben ik blij. Samen is alles fijner.”
Mila knikt. “We helpen elkaar. Dat is het allerbelangrijkste.” Noor lacht en geeft haar vriendin een knipoog.
Op weg naar huis voelen ze zich rustig en blij. Ze denken aan het spel, de zonnige middag en hun fijne vriendschap. Samen dromen ze al van morgen, als ze weer mogen spelen, leren en lachen.