Sam ligt in zijn bedje. Buiten regent het heel hard. De wind waait. Sam hoort de regen tikken op het raam. Boem, boem, klinkt de donder. Sam is bang.
“Mama, ik ben bang,” zegt Sam zacht. Mama komt bij Sam. “Het is oké, Sam. Mama is hier,” zegt mama lief.
Sam kijkt naar mama. “Is het gevaarlijk?” vraagt Sam. Mama schudt haar hoofd. “Nee, lieverd. Het is alleen regen en wind. Buiten wordt het nat. Binnen is het droog en warm.”
Sam luistert naar de regen. Tik, tik, tik. Mama pakt Sam's hand. “Voel je mijn hand, Sam?” vraagt mama. “Ja,” zegt Sam. Mama lacht. “Ik ben bij jou. Samen zijn we veilig.”
Sam kijkt naar buiten. Hij ziet het water op het raam. “De regen maakt alles nat,” zegt Sam. “Ja, dat klopt,” zegt mama. “De regen helpt de bloemen en de bomen.”
Sam denkt na. “Ik ben nog een beetje bang,” zegt hij. Mama knikt. “Dat mag, Sam. Bang zijn is niet erg. Je mag het altijd zeggen.”
Sam zucht. Hij knuffelt mama. “Dank je, mama,” zegt Sam. Mama knuffelt terug. “Goed zo, Sam. Je bent dapper. Je hebt het verteld. Samen is alles minder eng.”
De regen wordt zachter. De wind waait minder hard. Sam sluit zijn ogen. Hij hoort mama zingen. Sam voelt zich veilig. Sam is niet meer zo bang.
“Dag regen,” fluistert Sam. “Tot morgen.”
Mama lacht. “Slaap lekker, Sam. Droom fijn.”
Sam slaapt. Hij weet: als hij bang is, mag hij het zeggen. Mama helpt altijd. Alles komt goed.