Hoofdstuk 1: Ridder Bram wordt wakker
Ridder Bram ligt in zijn bed. Zijn harnas hangt aan de muur. Zijn zwaard ligt onder zijn kussen. “Ik ben klaar met vechten,” zegt Bram zacht. “Ik ben een oude ridder. Nu heb ik rust.” Maar op een ochtend hoort Bram een stem aan zijn raam.
“Klop, klop, klop!” klinkt het. Het is kleine Joris, een jongen uit het dorp. Joris kijkt met grote ogen naar Bram. “Ridder Bram, er is een draak op het veld! Iedereen is bang! Wil jij helpen?”
Bram denkt even na. “Een draak?” zegt hij. “Dat klinkt spannend.” Bram voelt zijn hart kloppen. “Vroeger was ik dapper. Ben ik dat nog steeds?” vraagt hij zichzelf af. Bram lacht naar Joris. “Ik ga met je mee, kleine vriend.”
Ze lopen samen naar het veld. De zon schijnt. De bloemen wiegen in de wind. Bram pakt zijn schild en zijn zwaard. “Kom, Joris. We zijn samen sterk.”
Hoofdstuk 2: Het veld en de draak
Op het veld is het stil. De mensen zijn weg. Alleen Bram en Joris zijn er. “Zie je de draak?” fluistert Joris. Bram kijkt goed om zich heen. Daar, achter een grote boom, ziet hij iets groots en groens. Het is de draak! De draak heeft schubben die glinsteren als smaragden. Maar de draak kijkt verdrietig.
Bram zegt zacht: “Hallo, draak. Ik ben Bram. Waarom ben je hier?” De draak zucht. “Ik ben verdwaald,” zegt de draak. “Ik ben moe. Ik wil naar huis.” Bram denkt heel goed na. “We hoeven niet te vechten,” zegt Bram. “We kunnen helpen.”
Joris knikt. “We helpen graag. Hoe kunnen we je naar huis brengen, draak?” De draak glimlacht. “Ik woon achter de bergen. Maar ik ben bang voor ridders. Jullie zijn dapper, maar ik ben bang.”
Bram zegt vriendelijk: “Je hoeft niet bang te zijn. Ik ben een ridder, maar ik ben je vriend.” Joris zegt: “Samen zijn we sterk!” Ze nemen de draak bij de hand. Bram zegt: “Laten we samen lopen. Wij beschermen je.”
Hoofdstuk 3: Samen sterk
Ze wandelen over het veld. Bram loopt voorop, met zijn schild hoog. Joris loopt naast de draak. Ze zingen samen een liedje. “Wij zijn dapper, wij zijn sterk, samen gaan wij ver!” De draak lacht zachtjes. “Bedankt, vrienden,” zegt de draak.
Ze komen bij de bergen. De bergen zijn hoog en grijs. Bram kijkt omhoog. “Het is een lange weg, maar we stoppen niet,” zegt hij. Joris zegt: “We kunnen het!” Bram helpt de draak over de stenen. Joris geeft de draak een hand.
Na een tijdje zijn ze bij het huis van de draak. Het is een mooie grot met bloemen. De draak is heel blij. “Jullie zijn echte vrienden,” zegt de draak. “Jullie zijn moedig en lief.”
Bram lacht. “Vrienden helpen elkaar altijd.” Joris knuffelt de draak. “Dag, draak! Tot ziens!”
Bram en Joris lopen terug naar het dorp. Ze zijn moe, maar blij. “Ik dacht dat ik te oud was om een ridder te zijn,” zegt Bram. “Maar moed en vriendelijkheid zijn voor altijd.”
Joris lacht. “Jij bent de beste ridder, Bram!”
Ze lopen samen, hand in hand, terug naar huis. De zon schijnt. Alles is rustig en goed.