Pip de pinguïn woonde in een dorp vol dieren. Vandaag was het carnaval. Overal hingen slingers. Rood, geel, blauw. De lucht rook naar zoete poffertjes en warme chocolademelk.
Pip droeg een klein jasje met glitters. Op zijn kop stond een hoed met een veer. De veer wiebelde bij elke stap. “Wiebeltje-wiebel,” lachte Pip.
Op het plein speelde muziek. Trommels: boem-boem. Fluiten: fwie-fwie. Een grote tuba zei: “Wooooom.” De muziek kriebelde in Pips pootjes. Zijn buik voelde licht, alsof er belletjes in zaten.
“Welkom, welkom!” riep Kiki de konijn, met een masker van sterren. “We gaan dansen in de optocht!”
Pip knikte. “Ik wil ook dansen.”
“Dan doe je mee,” zei Brul de beer, die een cape droeg. “Kijk, zo: stap-stap, draai.”
Pip probeerde het. Stap-stap. Draai. Oeps. Hij draaide net iets te ver en plofte zacht op zijn billen.
“Plofje,” zei Pip.
“Plofje is oké,” giechelde Kiki. “Carnaval is voor lachen.”
Pip stond weer op. Hij klopte zijn jasje. De glitters deden alsof ze “ting-ting” zongen.
Toen hoorde Pip iets nieuws in de muziek. Een klein extra tikje. Tik—tik—TIK! Het klonk alsof de muziek zei: “Doe een stapje opzij!”
Pip keek naar zijn pootjes. “Een stapje opzij?” fluisterde hij.
“Natuurlijk,” zei Lila de lama, met een hoed vol bloemen. “Een zijstap is als zwaaien met je voeten.”
Pip glimlachte. Maar hij wist niet precies hoe. Links? Rechts? Groot? Klein? Zijn pootjes werden een beetje verlegen.
“Zal ik het samen doen?” vroeg Kiki.
Pip knikte snel. “Ja, samen.”
De optocht begon. Voorop liep Timo de tijger met een trommel. Boem-boem, boem-boem. Achter hem dansten de dieren. Er waren krokodillen met groene brillen. Er waren katten met bellen om hun staart. Er was een schildpad met confetti op zijn schild.
Pip liep tussen Kiki en Lila. Ze zongen zacht:
“Stap stap stap,
klap klap klap,
draai maar rond,
lach je mond!”
Pip deed stap-stap. Hij klapte: klap-klap. Hij draaide: rondje. Het ging al beter. Zijn veer zei weer: “Wiebeltje-wiebel.”
Maar dat zijstapje… dat bleef in zijn kop zitten als een klein liedje dat je niet vergeet.
Ze kwamen langs een kraam met maskers. Maskers met manen, maskers met snorren, maskers met glitters. Pip koos een masker met een maan. De maan had een zachte glimlach.
“Mooi,” zei Lila. “Nu ben je een nacht-pret-pinguïn.”
Pip lachte. “Nacht-pret!”
Toen kwamen ze bij de muziekbrug. Het was een boog van lampjes. Lampjes die knipperden: pink-pink-pink. Onder de brug klonk de muziek extra magisch, alsof er sterren meezongen.
Timo sloeg op zijn trommel: BOEM. BOEM. En toen… een pauze. Een heel klein stil moment.
In dat stille moment hoorde Pip zijn eigen adem. En hij hoorde zijn hart: bonk-bonk, bonk-bonk. Niet bang. Gewoon blij en druk.
Kiki fluisterde: “Nu?”
Pip fluisterde terug: “Nu.”
“Links,” zei Kiki zacht.
Pip zette zijn linkerpoot opzij. Een klein stapje. Niet groot. Precies goed.
“Rechts,” zei Kiki.
Pip zette zijn rechterpoot bij. En toen nog eens. Links. Rechts. Links. Rechts.
Het voelde alsof hij een geheime deur opende. Zijn lijf begreep het ineens. De muziek riep: “Tik—tik—TIK!” en Pips pootjes antwoordden: “Stapje opzij! Stapje opzij!”
“Jij kan het!” riep Lila vrolijk. “Kijk hem gaan!”
Pip glunderde. “Ik kan het! Ik kan het!” Hij deed een zijstap, en nog een. Hij zwaaide met zijn voeten, precies zoals Lila had gezegd.
De andere dieren zagen het. De kat met de bellen probeerde het ook. Ting-ting! De schildpad deed een mini-zijstap. Heel langzaam, maar heel trots. Zelfs Brul de beer deed een zachte beren-zijstap. “Hup,” zei Brul. “Hup.”
De optocht werd een golvende slang van dans. Links, rechts, links, rechts. Overal klonk gelach. Confetti dwarrelde als sneeuw, maar dan warm en kleurrijk.
Aan het eind van het plein stonden grote ballonnen. Een ballon in de vorm van een zon. Een ballon in de vorm van een vis. En één ballon in de vorm van een pinguïn. Pip wees. “Die lijkt op mij!”
“Dat is jij, carnaval-Pip,” zei Kiki.
De muziek werd zachter. Boem… boem… fwie… fwie… De lampjes knipperden rustig. Pink… pink… pink…
Pip voelde zich fijn moe. Zijn pootjes tintelden nog een beetje van het dansen. Hij deed nog één klein zijstapje, heel langzaam.
“Goed zo,” zei Lila. “Een laatste stapje opzij, voor een zachte finish.”
Pip knikte. “Voor een zachte finish.”
Samen liepen ze naar een bankje met kussens. Er was limonade met bubbels. Bub-bub-bub. Pip nam een slok. “Prikkelend,” zei hij, en hij moest giechelen.
Kiki leunde tegen Pip aan. “Was het leuk?”
“Ja,” zei Pip. “Ik had een wens. En ik deed het.”
“Welke wens?” vroeg Kiki.
“Een stapje opzij,” zei Pip tevreden.
De muziek speelde nog heel zacht, als een slaapliedje voor het carnaval. Pip keek naar de slingers. Ze wiegden in de avondwind. Wieg-wieg.
“Tot morgen,” fluisterde Pip tegen de lampjes.
En het carnaval fluisterde terug, heel vriendelijk: “Tot morgen, Pip. Dans maar verder in je dromen.”