1. Florian zoekt een kostuum
Florian is vier jaar. Het is bijna carnaval. Overal hangen slingers en ballonnen. Florian springt in het rond. “Mama, mag ik me verkleden?” vraagt hij zachtjes. Mama lacht. “Ja hoor, kies maar iets moois uit!”
In de kast hangen gekleurde pakken. Er is een leeuwenpak. Een clownspak. Een piratenpak. Florian kijkt en kijkt. “Ik wil iets heel bijzonders,” fluistert hij. Hij schuift de kleren opzij. Opeens ziet hij een glinsterend stukje stof. Het is een oude cape, met gouden sterretjes.
Florian doet de cape om. “Kijk mama! Ik ben een toverprins!” roept hij. Mama klapt in haar handen. “Wat zie jij er prachtig uit, Florian!” zegt ze. Florian draait rondjes. De cape danst mee. “Ik ga op avontuur!” roept hij vrolijk.
2. Het gouden vaantje
In de woonkamer klinkt muziek. Trommels, trompetten, veel gelach. Florian voelt zich blij. Hij danst en springt. Opeens ziet hij iets op de grond blinken. Het is een klein gouden vaantje. “Wat is dit?” vraagt Florian.
Mama kijkt. “Wat een mooie vondst! Misschien is het een schat van de carnaval!” zegt ze. Florian pakt het vaantje op. Het glimt in zijn hand. Hij voelt zich extra speciaal. “Ik ben nu een echte toverprins. Ik heb een schat gevonden!” roept hij.
Florian loopt naar zijn knuffelbeer, Boris. “Kijk Boris, ik heb een vaantje gevonden. Jij mag het vasthouden.” Boris krijgt het vaantje om zijn nek. Samen lachen ze.
3. Samen delen is fijn
De muziek wordt zachter. Florian zit op het kleed, samen met Boris en mama. “Zullen we de schat samen delen?” vraagt Florian. Mama knikt. “Dat is een heel goed idee.”
Ze maken een klein feestje. Ze eten koekjes en drinken limonade. Florian zet de cape op Boris. Boris is nu een toverbeer. Iedereen lacht. Buiten klinken nog steeds vrolijke liedjes.
Florian voelt zich warm en blij. “Carnaval is het allerleukst als je samen deelt,” zegt hij zachtjes. Mama geeft hem een dikke knuffel. Florian sluit zijn ogen. De gouden sterretjes glinsteren nog even. Alles is vrolijk, alles is goed.