De zachte grot
In een groene vallei woonde een ogre. Hij heette Ollo. Ollo was groot, maar zijn hart was warm. Hij droeg een schort met bloem erop, want hij bakte graag brood.
Elke avond deed Ollo zijn plicht. Hij liep naar het pad langs de rivier en hing daar drie kleine lantaarns op. “Voor reizigers,” zei hij altijd. “Zodat niemand struikelt.”
Op een rustige nacht zag Ollo iets nieuws. In het gras lag een piepkleine gloed, als een vallend sterretje dat was blijven liggen. Het trilde zacht, alsof het zuchtte.
Ollo knielde. “Hallo, klein lichtje,” fluisterde hij. “Ben je verdwaald?”
De gloed maakte een tik-tik, alsof het antwoord gaf. Het was niet bang. Het was alleen… moe.
Ollo hield zijn grote hand als een kommetje. De gloed rolde erin, warm als thee. Ollo glimlachte. “Ik zorg voor jou. Dat is mijn plicht.”
De lantaarns en de legendes
Ollo nam de gloed mee naar zijn grot. Hij zette haar in een leeg glazen potje. Het potje was schoon en rook naar honing. De gloed danste erin en maakte het donker goud.
“Wat ben jij?” vroeg Ollo.
“Glim,” klonk het heel zacht, bijna als een belletje. Ollo knikte. “Glim dus.”
Buiten woei de wind door de bomen. Ollo dacht aan het rivierpad. Zijn lantaarns moesten aan. Maar nu had hij ook Glim.
“Mijn plicht is het pad,” zei Ollo, “en ook jij, klein licht.”
Samen liepen ze naar buiten. Glim in het potje, Ollo met zijn ladder. Bij de eerste lantaarn sprong ineens een eenhoorn uit de struiken. Niet wild, maar netjes, met een glanzende staart.
“Goedenavond,” zei de eenhoorn. “Jouw licht is mooi.”
Ollo bloosde een beetje. “Dank je. Ik hang lantaarns. Dat moet elke avond.”
Bij de tweede lantaarn dobberde een draakje op de rivier, zo klein als een eend. Het niesde een wolkje glitters. “A-tsjoe! Ik wilde ook helpen,” piepte het.
Ollo lachte. “Dan ben jij de fonkel-wachter.”
Bij de derde lantaarn zat een oude griffioen op een steen. Hij knikte langzaam. “Plicht maakt het hart sterk,” bromde hij vriendelijk.
Glim begon te wiebelen. Het potje werd warm. Ollo voelde het: Glim wilde niet alleen in een potje zitten. Glim wilde schijnen.
Ollo draaide de deksel een beetje los. “Voorzichtig,” fluisterde hij. “Blijf bij mij.”
Glim zweefde eruit, als een klein lampje met vleugels van licht. Ze cirkelde om Ollo's neus. Het kietelde.
“Hi-hi,” zei Ollo. “Jij bent ondeugend.”
Een plicht met een zacht einde
Toen gebeurde er iets kleins, maar belangrijk. Eén lantaarn wilde niet aan. De lont was nat.
Ollo keek. “Oei. Maar het pad moet veilig zijn.”
Glim ging dicht bij de lantaarn hangen. Ze schijn-de, schijn-de, schijn-de. Warm en trouw. Het natte lontje werd droog. Floep! De lantaarn ging aan.
De eenhoorn klapte zacht met haar hoeven. Het draakje blies nog één glitterhoestje. De griffioen bromde: “Goed gedaan.”
Ollo boog naar Glim. “Je hebt je plicht gedaan, klein lichtje.”
Glim zweefde naar zijn schouder en bleef daar, als een knus nachtlampje. Samen liepen ze terug naar de grot. De vallei glansde rustig.
In bed zette Ollo een klein schaaltje neer, met een glad steentje erin. “Voor jou,” zei hij. “Een plek om te rusten.”
Glim ging op het steentje zitten en werd zachter, als een stille sterrenkus.
Ollo zuchtte blij. “Morgen doen we het weer,” fluisterde hij. “Samen.”
En buiten brandden de drie lantaarns, warm en veilig, de hele nacht lang.